Duister water

Een geheimzinnige poel.
Des verderfs? Een bodem van vermoorden, verminkten en kadavers? Halfdoden?
God weet of de duivel.
’s Nacht zijn er lugubere geluiden wanneer onderwatergeesten grote schoonmaak houden met ruwe hand. Kermend gebubbel stijgt op, vergezeld van kwalijke dampen met onnavolgbare geuren.
Een kwart lichaam stijgt ploppend naar de oppervlakte, onherkenbaar voor mens en dier.
Men hoort en huivert.
Het hoofd diep onder de dekbedden.

Langzaam, langzaam verzinkt de poel in rust.
De dageraad, bangelijk en bijgelovig,  versluiert de nacht en belicht een vriendelijke vijver. De bloemetjes spelen mee.
Tot opnieuw het licht verdwijnt.
==

Herfstbed

Nee, geen matras van afgevallen bladeren, het is de beginnende kou die ik bedoel. Zodra de zomer ten einde loopt zie ik dit als een voordeel.
Hoe het anderen vergaat weet ik niet maar ik kruip er dagelijks met meer plezier in. Het duurde vrij lang voor ik na de de dood van echtgenoot de draai kon vinden maar het kwam goed.

Hoe lager de temperatuur hoe liever ik het heb.
Vannacht ongeveer 5°C, binnenkort vorst aan de grond, misschien al ergens geweest.
Des te beter.
Tot nog toe onder een laken en een dunne deken, straks het dekbed om me er helemaal in te rollen. Bijna een gymnastische onderneming maar dan lig ik zalig.
Het doet me denken aan de tijd dat ik tussen twee grote zussen mocht slapen en, nieuwsgierig luisterend naar verboden verhalen, langzamerhand warmer werd tot ik in slaap viel.
(Dit kwam niet vaak voor, alleen als er logees waren. Zussen vonden het trouwens niet prettig dat ik grote oren had maar dat terzijde-).
De herinnering is al voldoende om het bed extra te waarderen.

Tussen 11 en 12 maak ik me op voor de slaapsessie. Strakgetrokken onderlaken, rekken en gapen, gsm en tablet nakijken, nog één maxigaap en dan de laatste stap.
Naast me ligt leeswerk, huistelefoon, tablet, schrijfspullen. Waarvan ik zelden gebruik maak, mijn ogen vallen te snel dicht. De tv en radio doen het niet, ik kijk en luister toch nooit.
Er stopt een auto in de straat, verderop slaat een portier dicht.
Een buur laat de hond uit.
Iemand praat nog wat, vager en vager.
Ik soes weg.
En ben van de wereld.
-=

PS  vergat nog de blik onder het bed😈.

..

Rare dag

Op verzoek, sla gerust over als je het al kent.

Vanmorgen kwam ik een buurhond tegen. Ik begon een praatje.
‘Zo, beessie, ben je nog steeds braaf?’ en krauwde hem achter zijn oren.
Hij kwispelde als een gek en spinde luid.
‘Wat?’ verbaasd stopte ik en hij reageerde meteen: miauwww.
Ik keek rond of ik de eigenaar zag maar hoorde alleen wrrrraf achter een heg.
Zeker iets nieuws, die mensen hebben alleen ’n eend, wist ik.
Beessie voorbijlopend gluurde ik door de heg.
Wat ik zag: de eend zwom in de vijver, blaffend naar een paar vissenbekjes die boven het water uitstaken en -je gelooft het niet- het do-re-mi mekkerden.
Mijn ogen en oren werden groot! Spinnende hond en blaffende eend, geitevissen.
Aarzelend liep ik een paar stappen.
Op dat ogenblik tjilpten er een groepje mussen; blij met dit normale geluid wendde ik me naar een boom. Hm, ze waren al gevlogen. Maar.. ik hoorde ze toch? Toen merkte ik het, een toompje kippen scharrelde kwetterend door de voortuin van S.
De haan wandelde er loeiend om heen.
Dit werd me teveel.
Ik moest weg, meteen, en rende naar huis.
Bij de achterdeur zat Tinus, een bevriende kater.
‘Sorry Tien,’ hijgde ik ‘ik heb geen tijd..’
‘Ja zeg, ik wil mijn plakje worst,’ antwoordde hij kwaad.
‘Nee,’ huilde ik, vloog de trap op en kroop in bed met het dekbed over mijn hoofd.
Ik durfde niet meer naar buiten.
=

Nachtelijk intermezzo

Het was al laat toen we gewekt werden door  Fee.
-Hè? vroeg ik al ogenwrijvend, bestaat U dan?
-Wel, je ziet het,  antwoordde ze. -Kom op, we gaan een tripje maken.
Daar waren we voor in, na de zomerhitte was een luchtig nachtje nooit weg.
-Waar gaan we naar toe?
-Naar een antispokenparty, zei ze. Daar kan je alles kwijtraken wat je bang en bezorgd maakt.
Dat wilden we wel.
We stapten in haar koets. Ze bracht ons naar een plek waar een enorme kachel in het midden stond. Roodgloeiend.
Er liepen mensen heen en weer, ontspannen rondkijkend.
-Zie je, hier is niemand bang, iedereen heeft zijn spoken en problemen in de kachel gegooid.

Ahhh, zomaar je angsten in het vuur donderen. We deden ons best.
De ene narigheid na de andere verdween in de vlammen.
Huwelijkscrises, economische en financiële, de hongerige wereld,  kinderruzies, familietrammelant, webloggriezelstories, tot we helemaal leeg waren. Ze brandden met hoge vlammen.
Wat voelde dàt goed, we werden er helemaal licht van.
Daarna gingen we de bevrijding vieren met een stevige soep.
Een koud buffet wachtte. Limonadeglazen werden begeleid door drankorgeltjes zodat we dansten als jonge godjes.
Het was fantastisch; we merkten niet eens dat de koets ons terugbracht.
Pas toen Fee het dekbed over onze schouders vlijde herkenden we de slaapkamer.
We schudden haar hand.
-Dank je wel, Fee, het was geweldig.  Tot een volgende keer?
-Komt in orde. Doei!

Het was een nacht, die je normaal alleen in fillums ziet maar dan anders..
==

Dag dekbed

Wat deed u met die hitte? Kon U slapen? Raam open, dicht, ventilator te hard, dorstige muggen?
Ik had het gauw opgelost.
Zette de ventilator naast mijn bed op de laagste stand en lag prinsesheerlijk onder een zachtjes wapperend katoenen laken. Weldadig verkoelend. En ik sliep lekker.
Toen de warmte afzwakte, verdwenen is hij niet helemaal, was het dekbed nog steeds te veel. Ik zocht en vond een dunne deken om over het laken te spreiden, een fleece-ding van het Kruidvat, spotgoedkoop en precies goed.
En nu wil ik niets anders, niet de oude dekens die verpakt op de vliering liggen, niet het badstoffen sprei dat vroeger dienst deed als extraatje voor koude voeten.
Het dekbed al zeker niet, dat bewaar ik voor de winter. Tenminste, als hij komt want dat is nog maar de vraag.
Tot diens komst doe ik het met dat laken en fleece-dekentje.
Misschien, héél misschien, gooi ik er een paar sokken tegenaan.
En zet de ventilator uit.

Een rare dag

Vanmorgen kwam ik een buurhond tegen. Ik begon een praatje (dat doe ik meestal).
‘Zo, beessie, ben je nog steeds braaf?’ en krauwde hem achter zijn oren.
Hij kwispelde als een gek en spinde luid.
‘Wat?’ verbaasd stopte ik en hij reageerde meteen: miauwww.
Ik keek rond of ik de eigenaar zag maar hoorde alleen wrrrraf achter een heg.
Zeker iets nieuws,  die mensen hebben alleen ’n eend, wist ik.
Jeetje, even kijken daar; ik liet beessie staan en gluurde door de heg.
Wat ik zag: de eend zwom in de vijver, blaffend naar een paar vissenbekjes die nèt boven het water uitstaken en -je gelooft het niet-  het do-re-mi mekkerden.
Mijn ogen en oren werden groot! Spinnende hond en blaffende eend, geitevissen.
Aarzelend liep ik een paar stappen.
Op dat ogenblik tjilpten er een groepje mussen; blij met dit normale geluid wendde ik me naar een boom. Hm, ze waren al  gevlogen. Maar.. ik hoorde ze toch? Toen merkte ik het, een toompje kippen scharrelde kwetterend door de voortuin van S.
De haan wandelde er loeiend om heen.
Dit werd me teveel.
Ik moest  weg, meteen, ik draaide me om en rende naar huis.
Bij de achterdeur zat Tinus, een bevriende kater.
‘Sorry Tien,’ hijgde ik ‘ik heb geen tijd..’
‘Ja zeg,  ik wil mijn plakje worst,’  antwoordde hij kwaad.
‘Nee,’ huilde ik bijna, vloog de trap op en kroop in bed.
Met het dekbed over mijn hoofd.
Ik durf niet meer naar buiten.

Over slaap

Lekker vroeg naar bed gaan, daar had ik zin in.
Gisteren heb ik het geprobeerd. Het viel niet mee.
Aanvankelijk kroop ik er opgewekt in, luchtiger dan luchtig gekleed en bedekte me met één laken.
Het bleef warm.
Toen zocht ik naar een waaiertje, ik wist dat er een in huis was, ergens, in de krochten van de kelder. Het kwam boven water; ik zette het neer en aan en vlijde me weer neder, nu in verkoelende stromen.
Het was verrukkelijk maar bracht me niet in slaap want het bleef te licht.
Weer opstaan en het afgewezen dekbed over de gordijnen gedrapeerd. Het werd schemerig, best wel romantisch, eigenlijk een beetje té.  Slapen? No way.
Ik belde de verduisteringswinkel en vroeg om raad. Ze hadden slechts zwart fluweel te bieden, overgehouden van een ouderwets lijk. Nee dank U.
In wanhoop whatsappte ik de zon: kan het niet wat minder? “Zeur niet zo” , zei-t-ie.  De slome.
Het werd niet donkerder en plotseling kraaide een haan.
Ik lag nog steeds met die luchtiger dan luchtige bedjurk  in een romantische schemerkoelte.
Geen idee hoeveel ik hier van gedroomd heb.