Liefde met gevoel

Misschien een herhaling, ik kan het niet meer vinden.

Die winter kwam hij in mijn leven.
Hij was verrukkelijk en strelend en omsloot wellustig mijn contouren als een cocon, veilig en warm.
Dagelijks dacht ik urenlang aan de te verwachten lieflijkheid die me beschermde tegen de koude buitenwereld. Zelden daarvoor had ik zo’n zaligheid ervaren.
Wat hield ik van hem.
Zelfs toen in maart de buitenwereld minder boos werd zat ik dromerig aan mijn bureau, me koesterend in de wetenschap dat hij wachtte tot we samen waren.
Met moeite kon ik hem des morgens achterlaten, maar dan wist ik: straks is hij er weer.
Langzamerhand versleet de lente, maar niet mijn geliefde; integendeel, met gulzig enthousiasme zoog hij de zomerhitte uit mijn vel, verkoelde mijn zinderende lijf, zodat ik elke dag verlangde naar de nacht waar anderen de avonden rekten.
De randjes van de zomer werden net zo bruin als mijn huid en de zon werd zwakker, maar in het najaar had ik nog steeds niet genoeg van hem. Zijn voortreffelijkheid kwam nu pas goed voor de dag, beter gezegd, voor de nacht. Tijdens de barre stormen en kletterende regenbuien bezorgde hij me een warmte, zo liefdevol als in iemands herfst maar mogelijk is.
Weer werd het winter en mijn liefde beklijfde.
Hij was zo trouw, mijn vier-seizoenendekbed.

©Bertjens/Bertie.

Zeer dikke mist

De wereld kromp, werd klein en kleiner tot alleen ik leek te bestaan.
Eenzaam stond ik daar in het vage licht van een versluierde zon. Fiets aan de hand, niet wetend welke kant ik op moest. Door rond te kijken was ik uit balans, alle richtingen zagen er eender uit, zelfs boven en beneden konden verkeerd zijn.
Wat te doen.
Ik voelde met mijn handen of er iets te leunen viel, een boom, muur, wat dan ook. Niets. Op de tast zette ik de fiets op de standaard en liet me voorzichtig zakken op verdwenen grond.
Dan nam ik de tas van het stuur. Maar…wat.. zelfs die zag ik niet meer, in het wilde weg graaiend vond ik hem, zocht naar het mobieltje, toetste 112. Er gebeurde niets.
Mijn hand verdween, ik pakte hem met de andere die ik ook niet meer zag. Alles weg, de wereld, telefoon, ikzelf.
Gespannen zweefde ik in het niets, wachtend op licht? Godot? Hulp?
Het duurde lang.
Veel later, ik was al bijna voorgoed opgelost, werd het helder, nevelen verdunden, contouren werden zichtbaar.
Ik stond op en zag de omgeving verschijnen.
Opgelucht herkende ik mijn achterdeur en keukenraam.
Ik stond op de stoep.