Dumpteevee

Vertelde een bewoonster:
‘In het plantsoen voor onze flat werd gewerkt.
Hier en daar kwam papier en ander kleinvuil tevoorschijn, makkelijk te overzien in de lage struikjes. Je  let er niet op.
Tot een van de werkers zich extra diep bukte en weer omhoog kwm met, je gelooft het niet, een televisietoestel.
Een TELEVISIE!
We stonden paf.
Iemand moet dit ’s nachts hebben neergelegd, zorgvuldig de struiken er overheen hebben gedrapeerd en geruisloos zijn weggeslopen.
We hebben niets gehoord….’
Het klonk vermakelijk. Tot:
‘Verderop in de bossen is een logischer dumpplek, hoog gras, greppels, bomen, daar zie je compleet meubilair.  Dat kun je nog begrijpen met die dure stortplaatsen.
Maar hier…

De verbazing snap ik, dit is een rare plek om afval te verbergen. In het zicht van verzorgingstehuis en aanleunflats, tussen klein struikgewas, alle kans dat er ’s nachts iemand wakker is, de pakkans lijkt me groot.
Wat ik niet begrijp is het illegaal dumpen an sich.
Voor drugsafval heb ik geen goed woord over, dat is zware  criminaliteit.
Maar gewone burgers die hun afdankers zomaar in het groen gooien , dat snap ik niet.
Ik weet dat  (in onze omgeving) de stortprijzen zijn verhoogd en tot veel klachten leiden.
Ook weet ik dat het niet goedkoop is bouwafval en huisspullen e.d. aan te bieden maar het is toch geen wekelijkse onkostenpost?
Hoe vaak zal het voorkomen dat je je kamer opknapt?
Een bankstel koopt?
Je garage vernieuwt?
Grote verbouwingsuitgaven doen en voor de stort geen geld over hebben?
Daar kan ik niet bij.
Ik moet iets over het hoofd zien
=

.

Laat zonplezier

Op een septemberzondag besloten zus en ik nog één keer naar de zwemvijver te gaan.
Maar godnogantoe, wat een drukte daar. Iedereen had hetzelfde bedacht, alle omringende dorpen hadden hun burgers geloosd in het water en op het strandje, precies daar waar wij wilden nazomeren.
Vanzelfsprekend ging al dat volk bij dezelfde worstjeskraam lunchen. Allemaal op dezelfde tijd.
Ingeklemd tussen zo’n kleine vierhonderd zonners zinden we op wraak en verscholen ons achter iemands zonnehoed voor een geheime minitop.
‘Er lopen grote grazers achter de bosjes verderop’, fluisterde zus, ‘zullen we?’
‘Jaaaaa,’ juichte ik, ingehouden.  ‘Nu?’ Ze knikte.
We blubberden ons een tunnel door de oliebuiken naar de bosjes.
Daar floten we twee mammoetkoeien met lange krullen, sprongen op de ruggen en paaiden ze met pollen gras aan een stok voor hun neus.
‘Huphup, koetjes’, riep zus.
‘Ze heten Galloway’, hielp ik. ‘Aha.  Kom op gallegalletjes, rèn!’
Het werkte prima.
We stoven de vleesbergen in, de krullen wapperden als oorlogsbanieren en in een mum was iedereen verdwenen, geschrokken en doodsbang.  Een enkele bikini en wat snoeppapiertjes dwarrelden verdwaasd.
We klommen van de Gallowayse ruggen en stuurden ze met een pak La-vache-qui-rit naar hun eigen plek waar ze de rest van de dag tevreden herkauwden op de kaas.
Wij genoten ook. Zon,water en ruimte, wat wil een mens nog meer.