Gluurogen


Bij deze lucht is het beeld weer streeploos. Als ramen die pas gezeemd zijn (niet dat dat vaak gebeurt maar ik herken het direct).

Wat meer opvalt zijn de glurende ogen in het gebladerte. Waar kijken ze naar, wat zien ze, wat wìllen ze zien, blote bloemen? Op de vergroting zie je ook nog een soort hoorntjes, gecamoufleerd maar duidelijk.
Waarvandaan komt zoiets of -iemand, uit duistere poelen van de oude Peel? Daar huisde van alles, vast en zeker ook bladhoornige griezels, wat weten wij daarvan.
Als hij er morgenochtend nog zit roep ik de vreemdelingenpoltie en tegelijk de ME, van engerds verwacht ik rarigheden.
Natuurlijk kan ik er ook zelf op af gaan. Ik heb een deegroller en een paar scherpe messen, buks, strijkbout, slagkoekepan en een grote mond.  Die laatste houdt me juist tegen, stel dat ik hem beledig en hij me aanklaagt en ik moet zitten?
Wie bezorgt me in dat geval een vijl of ontsnappingstouwladder? Van WordPress en Microsoft  verwacht ik niets.
Geef mij de ME maar, als ze hun paarden tenminste thuislaten.
Daar ben ik nog banger van.

Advertenties

Dat krijg je als je nooit wat meemaakt


Iets buitengewoons gebeurt hier zelden.  Het is simpelweg een aardig en kalm leventje wat we leiden,
Niet gewend zijnde aan vreemdigheden schrok ik dan ook behoorlijk toen ik eergisteren opstond en dit zag. (←foto  is vaag door gehamerd glas).
Een donker ding zat buiten aan de voordeurknop en het bewoog. HET BEWÓÓG. Er zat een of ander beest aan mijn deur, het geslinger zag er sinister uit op mijn nuchtere maag. Mijn hart stond stil.
Een ogenblik stond ik verstijfd,  bedacht van alles, wie hangt er nu een slang aan de deur,  nu al tropische verrassingen, wat moet ik doen?
Toen kwam ik bij zinnen en zocht een wapen, waar was de buks, de bijl, desnoods een schilmes. In de zenuwen greep ik uiteindelijk de handveger en sloop naar de deur.
Het beest zwaaide.
Langzaam, heel zachtjes,  (stel dat het van schrik naar binnen schoot) opende  ik de de deur. En wat ik toen zag….
Dit reclameblaadje bungelde in de wind. →  →  →voordeur2 001

 

Mieren


Er liep een mier in het keukenkastje. Hij baande zich een weg over kop-en-schotels en ander serviesgoed, vergeefs zoekend naar etenswaar.  Ik veegde hem eruit en joeg hem weg.
Later liep er een in de aanrechtkast; misschien dezelfde, ik kan ze niet zo goed uit elkaar houden. Ook hier stond niets eetbaars tenzij mieren van reinigingsmiddelen houden, stompzinnig als ze zijn zou het me niet verbazen.
Nu maak ik me niet gauw druk om een beestje meer of minder. Maar sinds er een mierenberg in de broodtrommel stond,  een berg die was ontstaan rondom een pot stroop waar zelfs gewriemel in de stroop zelf gaande was houd ik afstand van mieren. Je wil niet weten wat een walgelijke vertoning dit was. We aten nooit meer stroop. Het waren er teveel bij elkaar en ja, dat maakt ze griezelig. Net als mensen.
Ik bestrijd ze te vuur en te zwaard als ik dat zou hebben, desnoods neem ik de buks ter hand maar ze gaan er uit.
De mieren, bedoel ik.