De schilders

Ons ouderlijk huis was er een van hout, een klein Zaans pandje.
De schuur was ook van hout. En de schuur van de buren, waarvan de achterkant aan onze stoep grensde.
Zelfs de wc’s waren van hout, zoals alle wc’s in de Dorpsstraat.
Dat vergde het nodige onderhoud, daarom was er altijd verf aanwezig, zorgvuldig opgeborgen.
Toch had broertje een pot gevonden, een groot blik carbolineum.
Vijf of zes jaar was hij, maar samen met een vriendje wist hij het open te krijgen en kwasten te versieren.
Ze maakten een plan en gingen aan de slag. Stiekem, het moest een verrassing worden.
En dat was het.
Vader kwam uit zijn werk; broertje & co wachtten hem op:
‘Pa, we hebben de wc geverfd!’
Verwonderd keek pa naar de bruinzwarte jongetjes die naar het erf holden en trots bij hun werkstuk bleven staan.
Sprakeloos overzag hij de zwartstreperige wanden en deur.
Ze hadden niets vergeten, ook het interieur was geschilderd tot de zitplank aan toe.
Hij haalde moeder erbij: ‘Moet je nou es kijken ….’
Moe kwam, keek, maar ook zij wist niets uit te brengen; ze stikte bijna van het lachen.

Het is nog vaak verteld en mooier gemaakt maar dit is de waarheid.
De jongens verfden enkel de wc, maar dan ook helemaal.
Van de afloop herinner ik me vooral de lucht van wasbenzine waarmee broertje gereinigd werd; de ergste klodders verdwenen, de rest van de verf moest er af slijten.

Geweten

Een lastig ding.

In de kindertijd liet het zich al horen, onmerkbaar voor anderen, voelbaar voor mezelf.
De kat wegduwen van je legpuzzel, huilend broertje knijpen, kwaad worden op je moeder.
Minizondetjes die voelden als verraad.  Ik had niet zo kattig moeten zijn, Moortje was alleen maar lief, broertje was alleen maar een jochie dat niet beter wist, moe vroeg alleen maar om een boodschap, aldus het geweten.
Dan dook ik nog verder in een schriftje of boek om mijn schuld te vergeten.
Meestal lukte het, zo niet dan spaarde ik mijn fouten op tot de biecht. Dat was een katholiek bedenksel waar we veel baat bij hadden zolang we klein waren.
Niet lang.
Eenmaal boven de tien jaar begon de twijfel. Pastoor had je dan wel spijt afgedwongen  maar wisten kat, broertje en moeder dat ook? Vast niet en om dat vervelende geweten te sussen gedroeg ik me overdreven lief. Gelukkig hield ik dat nooit lang vol, een dag op zijn hoogst want niemand herkende me daarin.
Later ging het om andere dingen. Ze losten zich allemaal op maar schuldgevoel bleef me manen.
Hoe anderen het hadden weet ik niet, het kindergedrag zal waarschijnlijk herkenbaar zijn.
Zelf leerde ik pas te relativeren bij het volwassen worden al twijfel ik aan de afronding van dat proces.
Ik vind het geweten nog steeds een lastig ding.

Pasen

Kom, dacht ik, laat ik iets stichtelijks schrijven ter ere van het paasfeest.
Niet over de lijdensweg van J.Chr. Het gesar, de doornenkroon en de kruisiging waren weliswaar van triviale orde (las ik ergens) maar wij werden er op school jaarlijks mee volgepropt en ik heb in onze houding nooit iets bespeurd van stichtelijke invloeden.
Over de verrijzenis dan? Tja. Mooi, veelzeggend, verheugend. Ook dit hoorden we elk jaar uitentreuren.
Lente, dat is een mooi paselijk onderwerp en iedereen begrijpt de symboliek, ook nietchristenen kenden een nieuw-beginviering met fikkies stoken ten behoeve van licht en liefde. Vandaar de eieren, ze moeten tenslotte iéts broeds  voorstellen alleen snap ik die kleuren niet. Een verwijzing naar alle mensenrassen? Ik roep maar wat want wat heeft een ei met een baby te maken, toen mijn moeder ons broertje kreeg lag hij kant en klaar in de wieg, herinner ik me.
Het is nog steeds niet stichtelijk. Ik geef het op.
Er is nog een haas in het spel, haha, daar trapten we niet in. We wisten niets van een groengroen knollenland laat staan dat we de link met lente begrepen en al helemaal niet die met Jezus’ opstand uit de dood.
Als katholieken verzwegen we het beest.
Zagen we hem later in alle winkels verschijnen. Herrezen. De naäper.
=
Mooie en warme paasdagen, dat wens ik iedereen toe..