taal

Lange woorden

Het langste Nederlandse woord
Lang geleden dachten we aan locomokipkachelfantje maar dat werd niet geaccepteerd door de juf, zal een uitgeverij het waarschijnlijk ook niet doen.
De voorbeelden in het boek zijn geschikt voor Galgje, kent iemand het spel? Daar kreeg  je  ook van  die samengestelde woorden die je net zo lang kon maken als je wilde.  Dat ligt aan de spelregels die je kunt aanpassen.
Vermakelijk was een serieuze broer die prompt protesteerde:  ‘er bestaat geen tafelpotenzaagmachineassistente. In de werkplaats van N hebben ze dat ook niet….’
Uiteraard weerspraken we het met vuur en plakten er nog een stukje aan, -bureau, bijvoorbeeld.
Echt een spel dat je moet doen met iemand die het te ernstig neemt.
Voor de discussies alleen al, net als bij scrabble maar dan spannender. En het leerzame boek erbij. ☻
=
big

Boven komen drijven

De besten komen altijd bovendrijven, stond ergens. Verzopen dieren ook, herinner ik me.
We woonden nog niet zo lang aan de Maas toen er, half in het water, een dood dier lag.
Een mossig, opgeblazen karkas, tonnetje-rond, onbestemd van kleur. Niet te herkennen voor een paar van ons, het kon elk dier zijn.
We hoorden het naderhand. ‘Een big, nog een jonge. Zal wel ziek zijn geweest of onder moeder terecht zijn gekomen.’  Waarom in de Maas gekieperd? Leefde het toen nog?’ Dat wist niemand.
Broer en ik verzonnen van alles. Eigenwijs weggelopen beestje, verdwaald,  kon niet zwemmen en verdronk, pestende jongelui, enzovoorts.
We vroegen ons af, er zijn meerdere varkensboeren in de omgeving, die zouden toch wel een andere weg weten met zieke of dode dieren? de destructor kwam ze ophalen als het nodig was.
Ik heb het nooit begrepen, er werd hier en daar gemompeld ‘kwam vaker voor’ ‘maak je niet druk’ ‘het was maar een big’.
Met andere woorden: daar snappen jullie toch niks van.
Dat klopte heel aardig, er werd immers niets uitgelegd.
==

stenen hart

Stenen hart

‘In wezen ben ik keihard’  stelde ik eens.
Er werd op voorhoofden getikt.  ‘Blijf van mijn boeken af,’  blafte grote broer die de zin herkende.
‘In wezen ben ik keihard,’ legde ik een jongen uit met wie ik niet meer wilde dansen.Hij  had me gevraagd naar het waarom maar ik wilde niet zeggen dat hij me afstootte.

Later, toen we bijna onwerelds verliefd waren, meende ik aanstaande te moeten waarschuwen: ‘In wezen ben ik keihard.’  Maar wat gaf het, het betekende niets en wat dan nog, liefde was ook toen al blind.
Weer veel later zaten broer en zus hier te ginnegappen, vertelden echtgenoot dat ik vroeger al opschepte met dit zinnetje en vroegen hem of ik echt zo keihard was.
‘Och, het gaat wel..’
En dat vond ik pas echt  hard. Keihard.
Onlogisch, maar ja.
==

Maria

Maria

In de RK kerk staat gegarandeerd ergens een Mariabeeld , soms met kind.
Ook op school vond je er minstens een paar en bij menig gelovige stond ze te kijk op kasten,  consoles,  in nissen, soms omhangen met een rozenkrans.
Wij hadden er een zonder kind maar met geheven hand, de ander op haar hart. Op het dressoir. Een crème-gouden-hemelsblauwe heilige Maria met een zedig gezicht en weggesleten neus.
Natuurlijk hingen er  een paar rozenkransen aan. Vaak kwam daar een armbandje bij, elastiekjes, dun sjaaltje, wat iemand maar even kwijt wilde. Een van de broers maakt er een sport van, hij kon van een afstandje precies een touwtje om haar nek werpen.
Tot iemand er mijn vaders hoed overheen hing.
Dat ging onze moeder te ver.
Toen heeft ze Maria opgepakt en in honderd stukken laten vallen.
‘Per ongeluk,’  zei ze opgeruimd.
==

dood

Dat was broer.

Dat heb je wel eens, een familielid met wie je zelden omgaat.
Geen ruzie. Trof je elkaar dan was het leuk en daarmee was de kous af.
Uit elkaar gegroeid, wetend dat hij op de achtergrond aanwezig is.
Het was voldoende.
Soms dacht je: straks W even bellen of mailen. Vanavond, morgenmiddag, zondag heb ik meer tijd, en dan vergat je het weer.
Zo ging het met een broer.
En opeens is hij dood. Zomaar weg.
Een paar nichtjes kwamen het gisteravond vertellen, zij hoorden het ook via-via.
We wisten het niet. Dat hij zieker was dan iedereen dacht.
Vanmiddag waren we bij de uitvaart.
Het was druk, allemaal mensen die lovende dingen zeiden.
Ondanks de schrik deed het goed dit te horen.
Want je staat er bij stil.

Er is wéér een familielid minder.
Gelukkig zijn er nog een stuk of wat over, je wilt wel eens kletsen over het gezin van toen.
En nu ook over de gestorven broer.
==

schrijven

Kalm aan

Bewegen is nuttig maar waarom zou je er een sport van maken?
Ik hoef niet zo nodig het snelste te fietsen of de eerste te zijn in borstcrawl.
Nog veel minder is de animo een paard als hulpmiddel te gebruiken om een medaille te winnen.
Als kind deden we dergelijke spelletjes, wie het eerst bij de zandbak was of het vlugst bij de ijskar.
Sinds we groot zijn hebben we die competitie niet meer nodig.


Dit ↑ schreef ik in de serie ‘max.120 woorden’ bij de opdracht Sport.

Een van de zussen las het toevallig en gaf het door aan een broer.
‘Dit,’ zei zus, ‘is precies zoals jij bent.’
Ik was zeer verguld, beschouwde het als een compliment.
Broer: ‘Klopt, je was als kind al niet vooruit te branden.’

 

moederdag

Moederdag

Als kind vond ik het een feest om iets voor mijn moeder te kopen. Geld had ik amper maar ik vond altijd wel iets moois. Dat wil zeggen: wat ik zelf mooi vond.
Meestal had ze er niets aan. Wat moest ze ook met een glazen siersuikerpotje+deksel, een plastic boterkuipje, een dejeunertje met bloemetjes,  en meer prullaria. We hadden een groot gezin.
Dat waren de dingen die ik prachtig vond, ademloos wachtte ik tot ze ze uitpakte. Dan keek ik de hele dag naar dat moois al lachten de groten me uit.
Gaandeweg besefte ik dat de cadeautjes meer voor mezelf waren dan voor Moe.
Een van de broers was praktischer. Hij lachte me uit om mijn ‘rotzooi’ en kocht tenminste iets nuttigs. Zei hij. Hij kreeg dan ook meer zakgeld.
En waar kwam hij mee aan?
Met een heuse frituurpan, nu kon ze betere patat bakken. Een klein formaat, dat wel, er ging precies voor 1 persoon in. Handig!
Toen werd er pas echt gelachen.

kinderjaren

Was buitenspelen echt het ultieme kindergeluk?

Mensen lijken dat te denken. Het is een van die herinneringen waar veel waarde aan wordt gehecht.
Het geheugen werkt ook hier selectief: hoogtepunten blijven bewaard, groeien zelfs.
Ook ik denk graag terug aan hinkelbanen en buurtspelletjes maar het ging er niet altijd vriendelijk aan toe.  Er hoorde ook gehuil bij,  groteren die  de baas speelden, ruzie om springtouwen, gepest van honden, maar ik geef toe, af en toe was het goed.

Buiten spelen was nogal eens een noodzakelijke oplossing.
Besprekingen van grotemensenzaken werden standaard vooraf gegaan door het bevel: ‘Ga jij es buiten spelen.’ Protesteren hielp niet, je had maar te gaan.
In grote gezinnen was het vrij vaak aan de orde.
– grote broer of zussen werden op het matje geroepen of
– ze kwamen een serieuze aanstaande ten toon stellen
– financiële perikelen/grote aankopen werden besproken
– surprises moesten verpakt en verstopt
– zwangerschappen van zussen werden bijgehouden
– een oom die onfatsoenlijke moppen vertelde mochten we niet aanhoren
En nog veel meer. Onze nieuwsgierigheid was groot en meestal wisten we af te luisteren maar van gezellig buitenspelen was in dat geval geen sprake. Wel van gemopper.

Zwembad en speeltuin waren me liever maar die hebben de kinderen van nu ook.
En andersom, wij zouden  vroeger waarschijnlijk maar wat graag binnen zijn gebleven als we de mogelijkheid hadden te gamen of filmpjes bekijken.
Een sterk (wat is dat trouwens?) karakter en gezonde mentaliteit krijgt een kind net zo goed thuis, bij familie, op school,  eventueel op clubs en sport.

taal

Huilen of lachen?

Over taal hadden we het; twee spreekwoorden door elkaar halen en andere ongein.
Prompt kwam de condoleance  van een verpleegkundige me voor de geest. Ze maakte een lief bedoeld taalfoutje dat we  ondanks het verdriet zeer komisch vonden.

Een broer was ernstig ziek, hij verbleef langdurig in een ziekenhuis. We bezochten hem wekelijks en verzorgden zijn was en persoonlijke spullen.
Na een jaar overleed hij.
Ons verdriet was groot; men troostte ons liefdevol en de betreffende verpleegkundige had het meeste begrip:
‘U zult Uw broer missen na zoveel bezoekuren,  de eerste tijd valt U in een leeg gat.’
Getroffen, tegelijkertijd op een lip bijtend bedankten we haar waarop ze nogmaals benadrukte: ‘…een leeg gat.’