Over studenten

Als schoolkind was ik dol op ze. Het woord alleen al deed me in peinzerij verzinken, stu-dent, proefde ik in stilte.
Ik had er nog nooit een gezien behalve een neef van wie ik niet geloofde in zijn verstand maar een eigen voorstelling kostte weinig fantasie.
Een student was een artistiek en intelligent wezen, kruising van een miskende kunstenaar en de knappe hoofdzuster van onze meisjesschool, met een extra gen voor het Presley-effect, het oog wilde tenslotte ook wat. (Misschien had het schoolhoofd dit zelf al bedacht, dat heb ik haar nooit gevraagd).
Toen ik het beeld langzamerhand bijstelde werden ze pas echt idolen. Ze hadden eigen kranten en schreven schunnige boeken en vierden dagenlange feesten, zoiets als de wilden in Afrika, maar dan met brillen op en zonder trommels.
Ademloos aanhoorde ik de blosverwekkende fluisteringen over deze bijzondere mensensoort. Daar wilde ik ook bijhoren.
Maar wat las ik toen?
Uitspattingen van het corps.’ Nou ja, een afwijkend kluppie, dacht ik nog.
De betreffende neef lachte me uit. ‘Wacht maar, je ontdekt ze zelf wel’.  Typisch kleindorps, zo noemde hij me en dat was ik ook. Wist ik veel.
Hoewel ik zelf niet studeerde ontdekte ik ze inderdaad, we woonden tenslotte niet ver van Nijmegen.
Ze deden me denken aan klasgenoten van de middelbare school en waren doodgewoon.
Te ver gaande ontgroeningen waarover we nu sappige berichten lezen waren er indertijd ook al, begreep ik uit besmuikte toespelingen.
En daarmee eindigde het allerlaatste restje verering
Ook studenten zijn net mensen.

Advertenties