‘Hoe krijg je het voor elkaar…’

Een mens moet alles leren voor hij iets kent/weet/beheerst.
Dat weten we.
Er is verschil in tempo waarmee geleerd wordt. Ik ken mensen die in snelreinvaart bepaalde dingen onder de knie krijgen, van wiskunde tot gymnastieken.
En het laatste, dat bewonder ik ten zeerste,  hardleers als ik was ondanks de gymlessen die ik jarenlang volgde.
Ze hebben een lichaamsbeheersing waar ik jaloers op ben. Ze sporten, rennen over smalle bruggetjes, dansen, fietsen over de hobbeligste aller bospaden, het kost hen geen moeite. Altijd soepel en in evenwicht, nooit een onzekere beweging, vallen of stoten is er niet bij.

Dit overdacht ik gistermiddag toen ik eerst een vette schram opliep en naderhand een tas vol water.
Ik behoor niet tot de lenigen, integendeel, mijn vader noemde me een onbesuisd kind hoewel ik me van geen kwaad bewust was. Ik zàg de obstakels gewoon niet al ben ik na de val waarbij ik een arm brak voorzichtiger in mijn bewegingen.
Toch lukte het me om met kracht langs een scherpe deurpost te schuren. Bloed, deppen en pleisterwerk en kojes thee om bij te komen.
Later, in de toilethal bij de bibliotheek, zette ik – gedachteloos, brein sliep –  mijn tas even in een van de fonteintjes. Daarmee activeerde ik de automatische kraan maar merkte het niet.
Pas toen ik klaar was, vertrok, een dripdripgeluid hoorde en omkeek zag ik een waterspoor achter me. Het slierde uit mijn tas.
Nou, eh, tja, ik zette de tas op de grond en depte het meeste water op met toiletpapier, biddend dat er niemand binnenkwam. Men zou denken dat ik  niet zindelijk was.
Het ging goed.
Echtgenoot, ouders, onderwijzers, ze zouden stuk voor stuk geroepen hebben:  ‘hoe….’
Met als variant: ‘Daar heb je haar ook weer.’

Advertenties

Koud, bang en koffie


Lekker weer vandaag.

Toch werd het vamiddag kil in huis. Vreemd, cv brandde, ramen waren gesloten.
Zou de val van een paar weken terug me opbreken?  Daar had mijn temperatuur toch niets  mee geleden?
Nog maar eens de ronde doen en een kop hete koffie zetten. Alles was dicht, thermostaat op 22°.
Ik bleef koud. Mijn brein begon te werken, zou ik iets mankeren? Een of andere enge griep? Op het platteland kun je van alles tegenkomen met die beesten overal. Huisartsenpost bellen? En wat moest ik dan zeggen? ‘Stuur alstublieft een spoedambulance want Ik heb het zo koud’?
Dat durfde ik niet.
Toch liet het me niet met rust. Rillerig haalde ik een deken en kroop op de bank om de mogelijkheden te overdenken.
Het moest welhaast kouwe koorts zijn en godweetwat er ging gebeuren als er niet snel een oplossing kwam. Was er onlangs niet iemand overleden aan onderkoeling? Hoorde ik daar een plofje? Sloeg het al op de hersens? Laat het de brievenbus zijn, bad ik wanhopig en strompelde naar de voordeur.
En die…  stond half open, waaide wat en sloeg zachtjes dicht. Terwijl ik keek kierde het weer, opende verder en weer terug. Een windvlaag.  De stiekemerd, telkens achter mijn rug openwaaien.
Opgelucht, inwendig beschaamd, draaide ik hem in het slot.
Ik nam nog maar eens koffie. En vroeg me af hoelang die deur van het slot was geweest. De hele ochtend? Had iemand het gemerkt? Zat er niet een of andere killer onder bed? En dan? Buks mee naar boven of de broodzaag?
Het zweet brak me nogmaals uit.
Pfffff…..
Zo lastig om een bangebroek te wezen.