‘En dan denk ik aan Brabant want daar brandt nog licht’

brabantse-burgemeesters-ambtenaren-geintimideerd
‘De Peel en de Kempen en de Meierij’,  ze bieden ruim plaats aan drugslabs en -criminelen, groepen die uit complete families bestaan.
Zonde van de mooie provincie.
Nu de geruchten over wietwelstand (die zelfs onnozelaren als ons bereiken) vaker bevestigd worden denk je bij Meeuwis tekst onwillekeurig aan een andere lading. Jammer voor Guus. Het is niet mijn muziek, wel een goedbedoeld lied dat ik door enthousiaste mensen hoorde meezingen.
Daar hebben ze geen jointje voor nodig.

 

Advertenties

Zingend hoofd

Dat heb ik.
Ik zal het uitleggen.
We waren naar een luistermiddag van enkele zangkoren uit de omgeving die een uitvoering gaven, of, zo U wilt, acte de présence in  kasteel Tongelaar
Voor mij een spiksplinternieuwe ervaring.
Het was best gezellig.
Het aanbod van drank en eten was royaal, er waren veel bezoekers en een prima zon.
Het mooie weer was gunstig zij het dat de akoestiek op een binnenplaats (die buiten was)  te wensen overliet.  In de open lucht klinken stemmen, ook de mooiste, al gauw te ijl. Ze vervliegen. Ik weet niet hoe ik het moet uitdrukken.
In de binnenruimtes klonk het beter. Levendig. We swingden mee. Prettige moderne liedjes, afgesloten met Guus Meeuwis’ Brabants volkslied. Logisch, we wonen er tenslotte.
Het enthousiasme was groot, ons applaus eveneens, de koffie opperbest.
Een geslaagde dag
Alleen die naweeën…
Nog steeds klinken muzikale zinnetjes door het hoofd. Ik kan niet anders dan ze nazingen of neuriën, wie weet droom ik er nog van.
Straks ga ik de trap op, op de maat van↓
…dan denk ik aan Brabant…

Vriendjes en vrijers

Mijn  turbulente liefdesleven begon al vroeg.
Als klein meisje was ik idolaat van een jongetje dat een straat verderop woonde. Helaas, het geloofswater was te diep: hij zat op de openbare school, ik op de roomse.
Een paar jaar later ontdekte ik de dorpsnozem en wat voor een. Hij had een knetterbrommer, enorme vetkuif vóór en een kippekontje achter op zijn hoofd, goddelijk. Jammer genoeg had hij geen oog voor kinderen als wij.
Eenmaal in Brabant aangekomen viel ik direct op de mooiste jongen van een naburig dorp. Verstaan deed ik hem niet maar knap dat hij was, knàp, ik word nog week nu ik aan hem terugdenk. Serieuze verkering zat ook hier niet in, hij vond me tuttig dat ik cola dronk. Ja zeg, ik was net veertien.
Daarna wachtte me een aardige jongen op bij school. Met hem wilde ik alleen ’s avonds de straat op, hij was minstens twee koppen kleiner en mijn broer en zus pestten me. Tja.

Na het eindexamen mocht er officieel een vrijer thuiskomen.
Prompt diende er zich een aan.
Een donkere Oost-Europese man met antieke opvattingen: ik mocht met niemand dansen dan met hem, moest sigaretten voor hem halen, naar hem luisteren
Niettemin raakte ik in zijn ban tot hij serieuze plannen kreeg. ‘Jij maakt het huis gezellig en ik werk voor jou en de kindjes…’
Hoe kreeg hij het verzonnen.

De vader van de op een-na-laatste had een bedrijfje in de bouwsector. Zoon wilde dat uitdragen; hij overlaadde me met liefdesbetuigingen op zijn vaders schrijfpapier met daarop het officiële briefhoofd. Kwam ik thuis, lag er weer een vensterenvelop van de firma V.  Ach gut, alsof een meisje daarvan onder de indruk raakt.
Hij begreep niet eens waarom de romantiek vervloog. De sneue.

Over de eindkandidaat kan ik kort zijn.
Hij slaagde cum laude.

lip2

provincierijkdom en -armoede


Hoera hoera, we zijn de op één na rijkste provincie. (klik op staatje)

Daar kunnen we wat mee al is het gevoelsmatig. We zijn weliswaar eenvoudige mensen maar toch, de varkensmestlucht steekt wat minder. Een rijkaard kan zich wel een luchtje permitteren.
Dat geeft de burger moed.

Oké, de provincie boven ons is nòg rijker. Nou en? Geldersen imponeren ons niet, hooguit vinden we de Groesbekers grappig om hun onnavolgbare taaltje maar dat hadden ze altijd al.
Daar lachen we om.

Wat ik wel een nadeel vind zijn de familiebanden. Die beginnen te knellen.
Een deel van mijn kant woont in Noord-Holland, mijn geboortegrond nota bene en wat stelt dat nou nog voor? Triestig weinig.   Friesland en Groningen, daar zitten ook een paar zussen, ocharme.  Enfin, de arme tak, zal ik maar zeggen.
Erger is het gesteld met een paar leden van de kouwe kant. Wonend in Drenthe en Zeeland, of all places.  En dan van Brabantse komaf te zijn…   een jammerlijk afgang. Ik vraag ze er liever niet naar, houd me koud.

Ja, al met al doet het besef me deugd, inwoner te zijn van een rijke provincie.

Nooit had ik van mezelf gedacht zo’n snob te worden maar voor één dag mag het. Als je je niets verbeeldt, ben je ook niets.