Bezoek aan Petrus 1

Aandachtig rondkijkend dwaal ik door de hemel. Het is er doodsaai.
Petrus tikt me op de schouder.
– Je bent te vroeg, mens.
O, zeg ik, ik wilde even checken of braaf zijn de moeite loont.
– En?
Nee. Er is hier niets te beleven, al die goedheid maakt me nerveus.
Beledigd pakt hij me op en gooit me eruit.
Opgelucht land ik op mijn bed.
Dit had ik als kind moeten weten, nooit meer braaf zijn, wat een feest.

Advertenties

Bidden en zo


Voor me ligt een ringbanduitgave van de bibliotheek,
‘Katholieke herinneringen en gewoontes van vroeger.’
Man en ik hebben het RK geloof jaren geleden al aan de kant geschoven maar hier bladerde ik even in, misschien vond ik een aardige herinnering.
Het viel tegen.
Alleen het wijwaterbakje deed me plezier. Dat was vooral een vermakelijk voorwerp; we doopten er de vingers in en maakten een gewijd kruisteken bij het naar bed gaan maar het leuke eraan waren de nachten waarin het onweerde en wij allemaal het bed uitgesleurd werden. Dan liep moeder door het huis, palmtak soppend in de wijwater en zegenend sproeide ze ons onder, almaar prevelend.
Zelf was ik te klein maar de oudere broer en zussen bestierven het dan van het ingehouden lachen tijdens dit evenement want zo voelde het voor ons, jongsten.
Daarna kwam het bidden aan bod, voor het eten, na het eten, het Angelus voor het warm eten (ken ik nog uit mijn hoofd), op school,en dan was er nog de rozenkrans, vreselijk, en je moest in de meimaand nog naar het lof; als ik als kind iets haatte, was het de kerkgang. Waarschijnlijk vonden veel anderen het ook niets, de kerken liepen niet voor niets leeg.
Aan de biechtstoel werd een artikeltje gewijd. Een klasgenootje stelde eens voor een slokje bleekwater te drinken, daar werd de ziel ook schoon van. Toen stuurde de zuster haar de klas uit.

De rest heb ik niet meer gelezen. Niks aardigheid; bidden, je netjes gedragen, bidden, gehoorzamen en nog meer bidden was de boodschap en daarna mocht je –misschien- plezier hebben. Als je braaf geweest was, tenminste.
Het waren trouwens niet alleen de diverse geloven die mensen in ‘fatsoenlijke’ richtingen stuurden, het was ook de tijdgeest die  betuttelde en de religies -hand in hand met de politiek – profiteerden daar van.
Toen we ouder werden begrepen we de opstandigheid van onze moeder, ze keek allang niet meer op tegen notabelen, de clerus en kloosterlingen.
Op haar laatste ziekbed hoefde ze niet bediend te worden, ‘die flauwe kul,’ zei ze, ‘onze lieve heer laat me zo ook wel binnen’.
En gelijk had ze.