Zomaar een paar tandjes

Er liep een kunstgebit in de winkelstraat.
Hij was zo vrolijk, lachte zo blij naar iedereen dat alle mensen groetten en zwaaiden, enkele  namen hun pet voor hem af.
Hij wandelde naar de drogist en bekeek daar alle tandpasta’s, de borstels en het flosdraad, hij kreeg een gratis proefpakket.
Daarna naar de groenteboer, die gaf hem een paar worteltjes.
De bakker liep hem achterna met bolletjes volkorenbrood, de slager met een stevig bot.
Toen hij genoeg gegeten had lachte hij nogmaals naar iedereen en huppelde naar huis.
Men praat nog steeds vol lof over hem,
dat blije kunstgebit.
==

Honds genoegen

Zorgvuldig inspecteerde ik de tuin op vergeten broodkorstjes, de prullenbak op verdwaalde kauwgom en de schuur op  wasgoed.
Er kwam een gast.
Voor iemand een verkeerde indruk krijgt, ik ben echt niet gewend om brood in de tuin te begraven, ook niet om vuile was lukraak te dumpen en al helemaal niet om eetwaar in de prullenbak te spugen.
Maar honden zijn rare beesten.
Onze eigen spaniels en basset vonden het een feest in de wasmanden te duiken en te paraderen met een geurige sok in hun bek. Met even grote bezetenheid kauwden ze zich door het afval, ze vonden gegarandeerd een snoeppapiertje en welke smeerlapperij ze uit de grond haalden kun je maar beter niet weten, ze kregen een tienjarig bot nog boven, met wurmen en al.
We hebben meer dan eens meegemaakt dat de kat een muis voor onze voeten legde en zijn vangst streng diende te bewaken omdat de hond al hebberig liep te kwijlen.
Nu heb ik geen beesten meer, maar af en toe komt er een op visite, een doddig dotje dat je hart steelt  maar mèt alle hondse eigenschappen.
Ik prijs hem de hemel in, in de hoop dat hij gezellig bij me blijft en de achtertuin over het hoofd ziet.
Ach gut.
Met graagte luisterend checkt hij alvast de prullenmanden.

Na drie zinnetjes en dertig aaitjes staat hij bij de achterdeur, krabt een paar keer en kijkt naar me.
‘Vergeet het maar,’ zegt hij. Want dat is ook typisch honds: ze kunnen praten.