Korte picknick

Dit plaatje (een echte is me te eng) bracht me terug naar een zomervakantie in het Gooi waar ik bij een zus logeerde.  Op een dag stelde ze een picknick voor, op de hei.
We vulden een mand en namen een plaid.
Eenmaal op de hei spreidden we de spullen uit en daar zaten we, klessebessend en etend, genietend van de zon. Althans, ik.
Zij bleef maar rondkijken en op de plaid kloppen en na een uurtje gaf ze het op. We blijven niet lang, zei ze, zullen we koffie drinken in het dorp?
Huh?  Met voldoende drinken bij ons?
Toen gaf ze toe: er leven hier adders.
Ik vloog minstens een meter op, panisch. Dat lieg je toch?
Nee, zei ze, echt. Het leek me een leuk uitje voor jou maar eerlijk gezegd griezel ik me dood.
Anders ik wel.  Het idee.
Gehaast propten we de boel in de mand en met hoog optrekkende knieën beenden we weg, zorgvuldig om ons heen speurend.
Later, bij haar thuis, was ik nog steeds niet gerustgesteld. Ze woonde buiten de kom, er was een flinke tuin met veel groen. Wie zegt dat daar ook niet van alles rond sloop?  Zo ver was het niet vanaf de hei.
Zwager lachte me uit en begon de bekende uitleg. Ze gaan de mensen uit de weg, hoeft niet bang te zijn enzovoorts, tenslotte beweerde hij dat hij elke avond controleerde. Nou, dat hielp…
De logeerpartij eindigde zonder incidenten.
Fobisch ben ik niet maar in een buitengebied zal ik nooit op de grond of een boomstronk of iets dergelijks gaan zitten, ook niet in de bossen rondom ons dorp.
Advertenties

Fietsen

Kom, dacht ik na de lunch, laat ik eens een ouderwets eindje fietsen. Het ziet er zonnig uit en met de hitte zal het wel meevallen.

Bij het opstappen voelde ik de warmte; hier hield ik me opnieuw voor de gek: straks in het open veld is er frisse wind.
Na vijf minuten reed ik dat open veld in. (de omgeving hier bestaat uit niets anders).
Toen geloofde ik alsnog de weersvoorspelling.
Hup Bertus, sprak ik mezelf toe, warme wind is ook wind, nog een klein stukje  naar de Maas. En verdomd, na tien kilometer haalde ik het. Rechtuit het water in reed ik,  fietste een rondje naar de overkant en terug, zwaaide naar de pont en kroop aan wal.
Nu kon ik er weer tegen en reed nogmaals tien bradende kilometers, ditmaal richting bos. Alweer een verrukking, zwaaiend aan koele lianen speelde ik Jane zonder Tarzan, het zal hem in de aanloop te heet zijn geweest maar het hinderde niet.
Restte  nog een stukje huiswaarts. Dat was zwaar. Gelukkig staan er meevoelende bloemen in de achtertuin; ze zwaaiden bij thuiskomst en wenkten me naar het vijvertje, trokken een stoel bij en zo rustte ik uit.
Een ritje door de Maas, zwaaironde door het bos en een voetbad tussen de lelies, mooi hoor.
Laat de boeren maar dorsen