De boom en de mensen

Midden in een picknickplaats, daar stond hij.
Een dikke boom met veel schrijfruimte.
Mensen gebruikten hem als notitieblok en deelden allerlei boodschappen met hem.  Ze sneden hartjes met initialen in zijn bast en een datum met namen, kusjes in rijen, sommetjes en natuurlijk bekende slogans. ‘Tinus was here’ waarop prompt iemand antwoordde: ‘ik ook’ en ‘me too’ hetgeen later werd weggekrast.
De boom vond het gekerf wel lief, hij groeide telkens wat dikker en bood steeds nieuwe ruimte.

Later kwamen er mensen met andere ideeën. Ze hingen briefjes aan zijn takken met wensen en berichten, aan de natuur, aan god en aan niemand. Daarna schoenen. Een nudist hing er zijn kleren op, anderen wierpen hun badpak in de bladeren en vergaten het, hetzelfde gebeurde met versleten speelgoed. Iedereen aapte iedereen na tot de boom eruit zag als een monstrueus kunstobject.
Hij zuchtte onder de zwaarte en toen een toerist begon met slotjes kreunde de boom – ik ben geen brug, dit is niet leuk meer -.boomtree-2127699__340

Hij overleed zachtjes, opgelucht, zijn sterven verborgen onder de rotzooi.
In de herfst merkte men het pas,  de boom stond daar als een naakte aangeklede aap.
Een gemeenteraadslid wilde hem tot beschermd monument benoemen maar net op tijd ontdekte men in een holte de verdonkeremaande lijkjes van een paar huisdieren.
De boom was verworden was tot een maxi vuilnisvat.
Hij werd vervangen door een patatkraam.
==

Typisch, dacht hij…

Gorilla liep door de stad. Hij had het koud en dook dieper in zijn vacht.
Rondkijkend wandelde hij door de drukke straten, op zoek naar een bos. Hier en daar zag hij wel iets wat er op leek maar het was ook daar te druk, bovendien stonk het er naar wiet.
Zonder jas viel hij nogal op. Mensen keken hem na, hoofdschuddend om zoveel domheid en dat in oktober. Een klein jochie bood hem een vest. Dat wees hij af  evenals de muts van een oude vrouw,  het mens zag er zelf al zo koud uit.
Toen het donker werd en de de meeste mensen oplosten zag hij een huis zonder licht en met een grote tuin. Stilletjes klom hij over het hek, snoof  -geen hond-  en zocht zich een dikbebladerde boom. Opgelucht klom hij op een precies passende brede tak, strekte zich uit en sloot de ogen.
Dan porde iets in zijn zij: ‘goeie boom hé?’
‘Huh? Wie ben jij?’
‘Een andere aap.’
‘Aha. Nou, welterusten.’
‘Truste.’
Typisch, dacht hij toen hij bijna sliep, hoe ver je ook gaat, je komt altijd een bekende tegen.

Hoe de mensen er toe kwamen om te dichten. Beknopte samenvatting.

Wel, het begon met kou. Heel lang geleden.
Mensen woonden nog hoog. En droog maar ook in de trek.
Tja, je weet hoe dat gaat in een boom, het waaide ook toen al precies langs die tak  waarop jij sliep. Bladeren hielpen niet.
Mannen beraadslaagden en besloten  naar de begane grond te verhuizen.
Ieder droeg de eigen spullen, een tamme pterodactylus of een ijspapiertje (Back to the future maakte wel eens een foutje) en kroop achter de man aan van wie ze aannamen dat het de vader was.
Voorzichtig sluipend, bedacht op narigheid vonden ze een veilige grot zonder verborgen beesten en nestelden zich daar. Ze maakten zich de beste plekken eigen  met meegenomen gras en de veren van de pterodactylus die er niets mee leed want bij bestond eigenlijk nog niet. Ze verzamelden voorraden bessen en aten dooie vleermuizen, het leven was niet slecht. Van virussen hadden ze geen weet.
Maar toen.
De winter begon en een ijskoude wind woei de grot in. Pegels hingen aan de neuzen, het gras – inmiddels gedroogd- dwarrelde rondom de slapenden die wakker werden van het gekriebel.
Wederom beraadslaagden de mannen. Mopperend. Alweer die kille trek, verdomme!
Tot een van het het licht zag, hij wees er naar en riep: ‘Dáár! Daar komt de kou vandaan!’
Allen keken en zagen het: een lichtende opening waardoor een ijzige koude binnen stroomde en  hen bijna vermorzelde.
Gesteund door de vorderende tijd die hun hersenen deed groeien begrepen ze het.
Het gat moest gedicht.
==
En zo is het gekomen.
=