Misselijk mens


Dat was ik gister al en vanmorgen nog.
Mijn reactie op kwaaltjes is meestal: net doen of er niets aan de hand is dan vergeet je het vanzelf.
Of afleiding zoeken.
Dus vandaag een raam gelapt, een stukje tuin bijgewerkt, boodschap gedaan, kletspraatje gehouden, vloertje gedweild, van die dingen.
En toen ik tegen de avond buiten uitrustte viel ik in slaap. Na een uurtje werd ik wakker met een boek in de handen en een kop nes naast me.
Verdwaasd keek ik rond, er stond een bezem en een emmer, een berg dooie planten ernaast. De slaap was zeker diep geweest.
Opstaan viel tegen.
Ik had de voeten op tafel gelegd en dan zakken je benen zo raar door, alsof je ingewikkelde gymnastiek doet. Ze zaten in de knoop, ik kreeg ze uiteindelijk aan de praat en was daarmee definitief wakker.
En zag dat het, huishoudelijk gezien, een productieve dag was geweest.
Sjonge, dacht ik, waar kwam die ijver vandaan?
Een niet-gelezen boek maar wèl gepoetst?  Dat is niet des Bertjens.
Toen herinnerde ik me dat ik me niet lekker had gevoeld.
Misschien moet ik vaker misselijk worden.
==

Zweet

In de loop van de middag begon het. Een nare geur.
Beetje rottig luchtje, zeg maar gerust een meur.
Iets als oud okselzweet, gekoesterd en nooit weggewassen.
Natuurlijk zocht ik, vond niets, zocht opnieuw en na de derde ronde had ik beet: de helft van een rauwe ui, onverpakt in de pedaalemmer. Ik moet ver weg zijn geweest met mijn gedachten.
Het deed me denken aan een winkel van vroeger, een kruidenierszaakje waar van allerlei verkocht werd.
Zus en ik haalden er niet graag boodschappen vanwege de doordringende transpiratiegeur die uit de verkoopster kwam, ik weet niet van welk lichaamsdeel of kledingstuk. Wie weet werkte ze hard, had ze last van het zweet des aanschijns of iets dergelijks.
Mijn moeder vond ons lastig, ‘een ijverige vrouw’ zei ze maar dat ze steevast een van ons stuurde was veelzeggend.
Nog zie ik me staan, net binnen de winkeldeur riep ik de bestelling: 1 pak koffie alstublieft en een fleskoffiemelk. Opschrijven voor S.
Dan liep ik snel naar de toonbank, griste met gerekte armen de spullen en rende ‘doeg’-roepend naar buiten. Zus had een andere manier. Ze deed net of ze een drukke praatster was en wapperde met haar handen de lucht schoon bij elk woord dat ze zei. Niet dat het hielp.

Deze dingen overdenkend leegde ik de riekende pedaalemmer en luchtte de keuken door de buitendeur open te zetten, ook hier was wapperen niet voldoende.
Hoe het de verkoopster vergaan is weet ik niet.
Petrus heeft haar denkelijk op een buitenwolk gezet, met een waaier.