Dat was de zaterdag en halve zondag

De fancy fair bleek een interne aangelegenheid maar daarom niet minder aardig. En lachwekkend goedkoop.
Met de handen vol boeken en nog wat rommeltjes stopte ik met neuzen en kocht er een tas bij, één euro voor een stevige tas is een prima koop.
De beste terrassen waar we naderhand aan toe waren zaten propvol, we trokken naar de volgende plaats en kwamen terecht bij het terras van de toekan. (Niet dat van het plaatje)
Jongens wat was het heerlijk.
Ruim van plek, zalige zomerwarmte,groot zonnescherm en af en toe een briesje dat bijna zwoel aanvoelde (we dronken echt alleen limonade).
Dan wil je niet naar huis en dat deden we ook niet.
Nog wat drinken, beetje eten. Beetje veel, eerlijk gezged.De laatste happen gingen in slow motion.
Koffie, nog even door de dorpen rijden en toen ik thuis was en de aankopen bekeek viel ik boven de nieuwe oude boeken in slaap en werd wakker bij de winst van Nederland op Duitsland. Een verrassend ontwaken.
Toen ben ik naar bed gegaan waar ik verder sliep. Wat wil je ook, rozig van de zon en een buik vol.
Onverwachtse bijkomstigheid: de gezichten waren bijgekleurd. Niet veel,  net zichtbaar.
In oktober…
Zo’n reservezomertje, ik mag dat wel.
==

Advertenties

Aansluitend vers op vorig logje

Toen ik de keuken leerde kennen
met inbegrip van pot en pan
was het makkelijk te wennen
aan het smaakgebruik ervan.
Zaligheid te combineren
groenten vlees en verse sjuutjes
champignons met kaasfonduutjes
en de smaak te reguleren
tot een tongstrelend menuutje.

Nog steeds zal ik met graagte zoeken
in opwindend-zoete boeken
die getuigen van het eten
ondanks dokter’s beterweten.

Het was een warme nacht

Naar bed gaan is niets bijzonders, beetje rommelen op badkamer, prutsen met hor en raam, frunniken in boek en schrijfblok.
Zoals gewoonlijk.
Dan hoor ik gepraat,  een zacht gebabbel op de achtergrond.
Wat nou? Hoor ik buren of wandelaars? Tot in de slaapkamer? Nee toch?
Ik kijk naar de radio naast bed en controleer. Hij staat uit. Misschien de uitknop kapot? Ik trek de stekker eruit.
Het gebabbel gaat door.
Verwezen kijk ik rond. In geesten en sprookjes geloof ik niet, tinnitus is het niet (dat klinkt heel anders), logé’s zijn er niet, inbrekers zullen zo stom niet zijn.
Verborgen ruimtes in de muur?
Bangig check ik de andere kamers en vliering. Niemand. Naar beneden durf ik niet meer.
Tablet staat uit.
Telefoons ook.
Voorzichtig, zwetend van nog meer angst, je weet nooit wat of wie je opmerkt,  glijdt ik geruisloos onder het laken.
Kijk op en…
…zie de televisie aanstaan. Was me niet opgevallen.
Pfffff.
Heb ik waarschijnlijk zelf aangezet met het boekengefrunnik, de ab ligt tussen potlood en papier.
Ik dweil mijn gezicht droog. Nu kan ik rustig slapen.
O ja?
Wie zegt dat ik het zelf deed? Ik kijk immers nooit als ik in bed lig? En nu zou ik plotseling het toestel aanzetten? Ongeloofwaardig, absoluut.
Nogmaals met de spiegel onder bed loeren. en…

De rest kunt U zich zelf wel voorstellen, het gedraai in zweterige lakens.  Opschrikken, licht aan, licht uit.
Maar ik heb de ochtend gehaald. Levend en wel.

Goeie god

Na enige aarzeling  heb ik de reis naar god weer eens ondernomen.
Wederom werd ik vriendlijk ontvangen al ontging me Petrus’ verholen zucht niet.
‘En, Bertjens, heb je weer wat?’ vroeg hij.
Hij humde geërgerd, duimde op zijn iPod, knikte en verwees me naar de spreekkamer.
God kwam me tegemoet. ‘Is hij chagrijnig?’ vroeg ik, wijzend naar Petrus.
‘Dag Bertjens,’ groette god, ‘en nee, hij vind het alleen overdreven dat jij regelmatig hier komt.’
“Nou zeg, één keer voor een nieuw lontje, ’n keer om te zien of het hier de moeite waard was, één keer met mijn raket, een keer…’
‘Ho maar, ik weet het nog. De kwestie is dat de mens, normaal gesproken, hier aanklopt wanneer hij/zij dood is. Alleen jij niet. Je hebt geen geduld.’
‘Dat is dan mooi stom van de mensen’, zei ik, ‘wat doen ze aan de mankementen tijdens hun leven?’
‘Verdragen, Bertjens, eventueel met een psychologische steuntje. Dat leert een mens van priesters.’
Ik keek hem aan. ‘Ga weg…’
Ongemakkelijk draaide hij op zijn stoel. ‘Ehm, dat is de bedoeling. Maar wat kan ik voor je doen deze keer.’
‘Een verbeterd geheugen alstublieft, ik vergeet meer dan nodig is. Zelfs mijn gat als dat niet vastzat.’
Hij knikte, ‘dat zei je moeder ook al. Ik wil het je wel geven maar dan krijg je àlles, realiseer je je dat?’
‘Geeft niets.’ Ik blufte omdat ik mijn zin wilde hebben.
‘Goed. Veel plezier dan maar.’ Hij zegende me en ik vertrok.

Eenmaal thuis genoot ik van de verbetering. Het begon  heel goed.
Niet meer zoeken naar dat pannetje, hoelang de aardappels kookten, sleutels terug, het was werkelijk een groot gemak.
Opgewekt vierde ik mijn nieuwe geheugen met een bezoek aan de bibliotheek.
Maar, hoe, wat gebeurde er? Bij elk gelezen boek speelden verhalen in mijn hoofd, schrijversnamen, uitgeversinformatie
‘Hallo,’ zei iemand die ik kende, ik draaide me om en ook van hem herinnerde ik me alles.
Iedereen op wie ik mijn blik richtte, elk voorwerp dat ik bekeek, zette mijn geheugen in werking.
Dit was vreselijk.
Terneergeslagen keerde ik huiswaarte en appte god.
Kreeg ik waakhond Petrus weer.
‘Sorry maar dit was niet wat ik bedoelde. Ik word gek,’ typte ik.
Hij gniffelde.
Ik zag hem bellen. ‘Baas,’ hoorde ik, ‘die hebberig vrouw weer, ze is niet tevreden. Zal ik haar een griepje sturen?’
‘Foei Petrus. Zeg haar dat ik het geheugen zal aanpassen naar behoefte en groet haar hartelijk. Het is best een aardig mens.’
‘Hmgrmompel….’
Hij wendde zich naar mij.
‘Je krijgt je zin weer, god is nu eenmaal wereldvreemd.’

vers van hebzucht


Ik miste dingen die’k niet had
en nooit bezitten zou
een nieuwe tas in wit-met-blauw
pianoles
regenlaarzen in het rood
een knuffelbeer
ze maakten mijn verlangens groot.
Toen kreeg ik boeken
met  verhalen
van
kinderen, ze stalen,
armoedig in hun rafels
de moeders  stil en ziek
een oma leed aan rimmetiek.
Ik las en las
opdat ik maar zou snappen,
mijn wensen moest ik schrappen.

Het hielp geen bal
nog steeds mis ik
de dingen die’k niet heb
en nooit bezitten zal.

© Bertie