Schrijven, maar geen boek

Een hobby.
Hoe andere amateurs het hadden weet ik niet, ik moest het echt leren.
Met gemak pende ik bladzijdes vol maar goed schrijfwerk was het allerminst.
Onwaarschijnlijke verzinsels, een soort mini-autobiografie over mijn gedachten, ik genoot van de woorden, leesbaar of niet.
Hoe langer de verhalen werden, hoe sneller ik ze wilde beëindigen door een ‘leuk’  plot te schrijven. Ze leken allemaal op een hardloopwedstrijd. Bovendien had ik intussen een typemachine, dat ging lekker vlug.
Bij het ouder worden en meer lezende ging het iets beter en daarmee beging ik een nieuwe fout: mooi schrijven.
Zogenaamd poëtische zinswendigen (op sinterklaasrijmiveau), ‘literaire’ constructies die van warrigheid aan elkaar hingen, onnodige interessante woorden.
Een schrijfclub wees me een beter pad. Daar leerde ik de betekenis van goede aanwijzingen en warempel, ik schopte het tot plaatsing in een paar verhalenbundels.
De aanhouder wint, heet het.

Niet helemaal, mijn echte droom kon ik niet waarmaken.
Een boek schrijven, een heel boek met een goed plot en een mooi verhaal eromheen. Een serieuze roman, het liefst fictief, met eigen inzichten erin verwerkt over allerlei onderwerpen.
Een gewaardeerde auteur te worden, bij een gerenommeerde uitgeverij. Het visioen alleen al was de wens waard.
Natuurlijk probeerde ik het. Gaf losse verhaaltjes alvast dezelfde hoofdpersoon, maakte schema’s, liet hoofdpersonen opdoemen, onlangs vond ik een schrift terug met een begin van maar liefst zes hoofdstukken.
Uiteindelijk heb ik het toe- en opgegeven: dit kan ik niet. Liever lees ik andermans boeken.
Bovendien zijn er andere kwaliteiten, ik kan heel goed aardappelen schillen en friet snijden.
Dat werd zeer gewaardeerd in het gezin, meer dan een gedroomd boek.

Advertenties

Koffietijd theetijd slaaptijd

regen120180829_182444
Tijd voor thee.
In de serre zittend probeer ik er een boek bij te lezen. Het is lekker buiten. Blauwe lucht, een lieflijk wolkje, warme zon. Loom word ik, lomer, tot ik slaap.
Dan word ik wakker door een regelmatig geroffel. Een welkom geluid, iedereen weet hoe goed regen klinkt wanneer je zelf droog blijft.
Tijd voor koffie.
Ik ga verder met het boek.
Knus. Druppels op de ruiten, sussend geplens op het dak. Tevredenstemmend. Je zou zomaar weer gaan slapen.
En ja, een hazenslaapje overvalt me.
Na het avondeten een nieuwe leespoging.
Stil zijn de staatgeluiden, een buurkat kroelt naast me, het schemert licht.
Ik slaap in

En dan moet de nacht nog beginnen.


Luie dag. Of ik?

Tijd om te niksen.
Na drukke verf-, tuin- en wandelsessies alsmede een gang naar de boezempletterij (ik houd het netjes) is het rustdag.
Ja, ik weet dat rust roest. Dat neem ik voor lief.
Ik speel wat met een boek, zoek een paar woorden voor het cryptogram.
Schil een aardappel en trek het bed recht.
De lucht noodt niet tot buitenzitten, is hoogstens goed genoeg om vloerkleedjes te luchten.
Inspiratie zoekend voor een verhaaltje, een rijmpje desnoods, kijk ik rond.
De zon schijnt door het zijraam, legt misprijzend de nadruk op een stoffige plant of verbeeld ik me dat? Ik gooi de plant weg.
Het uitusten bevalt me niet, onwillekeurig komen afkeurende blikken boven, van leraren. Ik verjaag ze resoluut.
Mijn oog valt op een paar bloesjes zonder knopen, naald en draad liggen er naast. Ha, nu heb ik iets te doen tijdens het niksen.
Als ik opschiet is er nog tijd genoeg voor de bibliotheek en een gangetje naar de plantenkas. En voor het uitzoeken van een paar papieren en… en…
Blij dat de ijver terug is zet ik me aan het naaiwerk.

Toen een huisvrouw het nog druk had

‘Opzijopzijopzij…’
Dit wordt niet hardop gezegd maar de boodschap komt over: zij heeft haast.
Zodra ze de supermarktdeur binnenvalt vliegen aanwezige klanten naar de zijpaden.
Sommige nemen geen risico en sluiten zich aan bij de manager die zich verschanst achter de breedste van de vakkenvullers.
Men kent haar.
In haar huis gaat het op eendere wijze.
Als een wervelstorm sleurt ze de gezinsleden uit bed, drukt hen het ontbijt door de keel en duwt ze de deur uit.
Opruimende werpt ze af en toe een hap brood naar binnen en voert kat, cavia, parkiet en hond.
Ziezo, denkt ze na het volgooien van de vaatwasser, dat is gebeurd. Wat moet er nog meer gebeuren; stofzuigen, dat is wel nodig of neem ik eerst de ramen? En dat boek moet ook nog uit, als ik het op de aanrecht leg kan ik tegelijkertijd lezen en de aardappelen schillen.
Het lukt.  Het kost wat pleisters maar het gaat heel goed; weet je wat, denkt ze, ik snij meteen de andijvie. Het grote mes zoeken, de plank, de krop er op. Onderwijl leest ze met één oog  verder.
Oei, au…  trillend reikt ze naar de handdoek om nieuw bloed te stelpen. Verdorie, was daar bijna het boek bevlekt,  het is nog wel van de bibliotheek.
Voorzichtig kijkt ze onder de handdoek. En schrikt van de jaap in haar linkerduim, nog net niet tot het bot.
Vlug onder koud water,  tjess, pijnlijk.
Met veel gehannes maakt ze een noodverband van zakdoeken en pleisters.
Hè, ze is er misselijk van, draaierig hangt ze voorover. De kat kijkt stoicijns naar haar, de hond jankt meelevend maar niet verbaasd.
Haar verstand krijgt de overhand. Eindelijk.
Ze kruipt op de bank en rust, al lezende,  tot het kloppen in de duim afneemt.
Dan gaat ze rechtop zitten, gaapt en rekt, controleert het noodverband en ijlt  naar de stofzuiger, pakt onderweg de plumeau,  neemt de rinkelende telefoon op……

Dit stukje is ongeveer acht jaar oud, door een haastklusje vanmorgen dacht ik eraan terug. Het was niet eens zo erg overdreven.

Als kind…

…schreef ik een boek
een heel dik boek
van minstens zestien vellen;
over Moortje onze kat
van ouders als een rechtend pad
en liefderijke zusmodellen.
Ook de school kwam aan de beurt
uiteraard in roz’ gekleurd
dan de kerk met god en hemel,
zaligzinnelijk gefemel
van engelen die braafheid kweelden
zoet als bloemen.  Woorden streelden
en penseelden
zacht mijn kinderlijk geloof
voor realisme was ik doof.
Gehoorzaam schreef ik mijn verhaal.
Een kind is willig materiaal.
© Decomenik

Over god en geloof


Dacht ik een onderhoudende familieroman in handen te hebben, stuit ik op de tweede pagina al op ‘God is bezig om duidelijk te maken dat ik je heel hard nodig heb‘. Bedoeld als liefdesverklaring.
Ik slikte maar zette door.
Het was een tragisch begin; een gestorven baby, slecht huwelijk, verse weduwnaar en binnen het eerste hoofdstuk waren alle gedupeerden al verzoend met hun verdriet omdat ze, ieder voor zich,  begrepen dat het ‘gods grote geheel‘ was waar ze weliswaar niets van snapten  maar met een vormelijk woordje van protest toch aanvaardden. De ware gelovigen.
Daarna legde ik het boek weg, wetend dat de spanning uit het verhaal zou zijn. Zulke boeken vind ik vreselijk, oervervelend  en bovenal beschamend

Waar die aversie tegen een geloofsgetuigenis vandaan komt weet ik niet; uiteraard werden we op de Lagere School overvoerd  met katechismus, preken, zonde, bidprentjes en kerkgang maar dat werden de andersdenkende kinderen ook.
Toch leken wij roomsen (reeds in de jaren ’60) minder eerbiedig tegenover het geloof te staan dan de buurkinderen van andere gezindten. Spottender en brutaler ook.
Zou de katholieke god overdreven veel aan magische macht toegeschreven zijn?
Om de mensen in een maagdelijke zwangerschap te laten geloven is natuurlijk niet meer van deze tijd. Net zomin als het idee van de communie, een gestileerde vorm van kannibalisme.
En dan nog het celibaat, een onmenselijke zaak om dit levenslang te eisen.
Dit -en meer- is alles bij elkaar een onlogisch mengsel van geloofspunten dat een gemiddeld ontwikkeld mens ongeloofwaardig, soms zelfs lachwekkend voorkomt.
Misschien is dat de oorzaak van mijn hekel aan genoemde boeken.  Maar andere religies hebben ook zo hun eigenaardigheden en die worden wèl gerespecteerd. En katholieken werden door andere groepen weer als losbandig gezien.
Ik kom er nooit uit, de vraag komt herhaaldelijk terug.

Boek over vluchtelingen


Op 14 september (Vluchtelingen en boekvraag) vroeg ik me af aan welk boek  de vluchtelingenstroom me deed denken.
Zojuist kreeg ik het antwoord van Grady, het is
De Ontelbaren, auteur Elvis Peeters.
De inhoud staat beschreven op http://www.librisliteratuurprijs.nl/2006/peeters
Het is een beklemmend verhaal waarover ik verder niets zal verraden; prachtig boek.
Nogmaals hartelijk dank, Grady.

Het wordt met verschillende omslagen gepresenteerd.
   

Vluchtelingen en boekvraag


Zoveel mensen die de grenzen oversteken en Europa weet niet wat te doen. Het zal ook moeilijk zijn om ze allemaal onderdak te bieden maar in de jaren tachtig lukte het ook dus heb ik nu goede hoop.

De situatie doet me denken aan een boek dat ik las, jaren geleden.
Over vreemde mensen die plotseling overal opdoken. Ze gedroegen zich rustig maar zeker van zichzelf, begaven zich in de tuinen en bleven daar, probeerden binnen te komen, namen schuren en stallen in beslag.
De inwoners wisten niet hoe er mee om te gaan; de meesten probeerden zich pc te gedragen en lieten de nieuwkomers binnen, sommigen uit plichtsgevoel, anderen vanuit uit solidariteit, weer anderen hielden de deuren zorgvuldig gesloten.
Op de achtergrond speelde zich een poging af van een vrouw die naar Europa wilde vluchten.
Wie herkent dit gegeven en weet welk boek het was en wie de schrijver?