Bloemetjesstof.

Een rok.
Een knalgele lenterok met gekleurde bloemetjes, die maakte ik voor mezelf.
Het werd een vrolijk geval, een beetje klokkend. Zwierig.
Trots liep ik er mee rond.
Bijna iedere dag droeg ik hem met telkens een ander shirtje, in het blauw van de vergeetmenietjes of het wit van de madeliefjes.
Het werd zomer.
We aten buiten en fietsten naar het zwembad; ik aldoor in die rok.
Toen kwamen de wespen opzetten. Het fleurige motief leek te echt, ik was een wandelend bloemenperk.
Het begon met twee of drie stuks die op de rok neerstreken, toen een heel gezin tot er een compleet volkje op me af kwam en ik me als een insectenwolk voortbewoog en het ding niet meer durfde te dragen.
Stomme wespen, die het verschil niet zagen tussen echte bloemen of Mijn Rok.

Echt gebeurd.
Als ik het niet zelf niet had meegemaakt, zou ik dit nooit hebben geloofd.

Advertenties