Theater in de achtertuin

Oh herfstig lot, roept varen uit.  Hoe vreeslijk bruin wordt mijne huid.
Is dat al, zegt druif, reëel. Zie dan mijn blad vergaan tot geel.

Leverkruid zwijgt, hij schaamt zich rot. Hij waant zich kleurloos en  bespot.
Nee, dan cosmea. Met een kleur roept zij zich uit tot fine fleur.
Mis, roept groene passiebloem. Ik ben nog fris, aan mij de roem.

Doornappel

Hij doet het goed.
Ondanks felle zon en droogtes is hij opnieuw uitgelopen en ontwikkelt  knop na knop, laat bloemen tot bloei komen en is pas tevreden als de appels verschijnen.

En zo hoort het ook voor een sprookjesplant, je bent giftig of je bent het niet.

Fietsen

Kom, dacht ik na de lunch, laat ik eens een ouderwets eindje fietsen. Het ziet er zonnig uit en met de hitte zal het wel meevallen.

Bij het opstappen voelde ik de warmte; hier hield ik me opnieuw voor de gek: straks in het open veld is er frisse wind.
Na vijf minuten reed ik dat open veld in. (de omgeving hier bestaat uit niets anders).
Toen geloofde ik alsnog de weersvoorspelling.
Hup Bertus, sprak ik mezelf toe, warme wind is ook wind, nog een klein stukje  naar de Maas. En verdomd, na tien kilometer haalde ik het. Rechtuit het water in reed ik,  fietste een rondje naar de overkant en terug, zwaaide naar de pont en kroop aan wal.
Nu kon ik er weer tegen en reed nogmaals tien bradende kilometers, ditmaal richting bos. Alweer een verrukking, zwaaiend aan koele lianen speelde ik Jane zonder Tarzan, het zal hem in de aanloop te heet zijn geweest maar het hinderde niet.
Restte  nog een stukje huiswaarts. Dat was zwaar. Gelukkig staan er meevoelende bloemen in de achtertuin; ze zwaaiden bij thuiskomst en wenkten me naar het vijvertje, trokken een stoel bij en zo rustte ik uit.
Een ritje door de Maas, zwaaironde door het bos en een voetbad tussen de lelies, mooi hoor.
Laat de boeren maar dorsen