Uitzicht


Echt herfst.
Ondanks wind en regen is het mooi buiten.
Toen ik uitgekeken was op de natte straat en drijvend achtertuintje ging ik boven verder met genieten.
Recht vooruit staan nog zomerachtige bloemen op 3 meter hoogte.

Dan naar links waar het garagedak een onverwachts spannende aanblik bood door een schip.
Wie had dat nu gedacht. Een schip, hier,  in de Peel.
Best mooi, het haalde de suffe troosteloosheid ’n beetje weg
Ik heb het uitgebreid bekeken maar werd niets wijzer over herkomst en bestemming. Ook probeerde ik vlaggentekens en lichtseinen.
Geen antwoord. Waarschijnlijk had ik de verkeerde tekst, ik ken die codes niet.
Voor alle zekerheid heb ik er een bewijsfoto van gemaakt.
Want echt, sommige mensen geloven nooit wat.
==

Advertenties

Weemoed

regenserreIk zit voor een raam, luister naar de regen en lees.
Af en toe is er beweging, een kauw die langs scheert in een korte droogte, een musje. Takken waaien verwoed en sproeien.
Dan is er weer het geruis . Soms in een afwijkende maat door het lek in de dakgoot.
Ik maak een kop nescafé en neem het boek weer op.
Plotseling overvalt me een droefgeestig gevoel. Ik kijk rond, zie dat er niets verandert en probeer het weg te lezen. Maar nee…
Waarvandaan komt die melancholie, dat heimwee naar nooit gedane dingen?
Want je weet niet hoe het begint.
Het duurt en duurt.
Ik kijk naar het boek. Het gaat over dementie, van Nicci Gerrard.
Naar de ramen die zicht bieden op overdadig groen maar zelf een voorbije zomer tonen.
De lucht die te vroeg donker wordt, iets waar ik een gloeiende pesthekel aan heb.
Dan bel ik iemand. Niet thuis.
Daarna een zus. Ze heeft geen tijd.
Alleen de laptop neemt geduldig op wat ik schrijf.
Nu zie ik weer het vaasje bloemen van de topinamboer. Best lief.

Regen

Rond vijf uur vanmiddag stopte de wind.
Het golfplaten afdak tikte.
De stoeptegels spikkelden.
Het regende.
Ik zat er voor de helft in en liet me de druppels aanleunen. Lekker, na de stoffige warmte.
De tuin had het nodig maar het duurde even voor de zanderige bovenlaag het water doorliet. In stroompjes kronkelde het tussen de planten en pollen, hooisliertjes meenemend maar allengs werd de bodem zoals hij moest zijn. Voedzaam en nat.
De bloemen richtten zich op, ik zou zweren dat ze kleurden, knaller rood en dieper roze.
Als het groen zou zingen had het me niet verbaasd.
Het is dan ook een ideale regen. Gestaag, rustig. Geen keiharde plenzen.
Nu, ongeveer negen uur, gaat het nog steeds door.
Ik hoop dat de barometer zich inhoudt en het vannacht blijft regenen.
==

‘Ik maak voor jou een feestontbijt’

Ontwaken ging ongemerkt, de grens tussen droefgeestig dromen en treurend bewustzijn was vaag.
De dag begon vreugdeloos. Een paar seconden gaf ik me er aan over, haastig trok ik me terug.
Onwillig keek ik naar de klok. Een uur te vroeg.
Ik draaide me op mijn rug en haalde diep adem om me in ieder geval fysiek te wapenen. Plichtmatig de aanbevolen oefeningen uitvoerend dwong ik me tot ontspanning.
Misschien een gebed? ‘Als je bestaat God, help me dan. Je krijgt een hoofdletter, zie je wel? Geef me er wat voor terug,‘ Stilte.
Ik moest het weer zelf proberen.
Naast me lag mijn vriendin; ze sliep. De bescheiden schim van haar smalle lichaam wekte tederheid, onverwachts herinnerde ik me hoe verliefd ik eens op haar was.
Het overviel me. ‘Ga weg, Mans’, fluisterde ik, ‘haat me, veracht me desnoods, maar laat je niet door mij bezeren’.
Het was haar verjaardag.
Zachtjes maakte ik gebruik van toilet en wasbak. Een plas, twee natte vingers langs de ogen, kammen.
Opnieuw probeerde ik een gebed. ‘Ze is jarig, laat het me tenminste één dag volhouden. Haar blij maken’, als een mantra prevelde ik deze zinnetjes.
Ik reikte naar de antidepressiva en aarzelde. Dubbele dosis innemen en de dag versluimeren?

Ik zag Mans voor me, me vinnig heen en weer schuddend.
Driftig was ze uitgevallen: ‘Al is de wereld zwart, blijf in ieder geval wakker’. En, kwaad na mijn bezeerde blik: ‘Ja, ik wéét dat je lijdt, maar slapen lost niks op. Doe er liever wat aan.’ Ze keek me aan.‘Begrijp je niet dat je van mij ook een patiënt maakt?’ Zachtjes zei ze het, voorzichtig bijna.
Dit drong door mijn dufheid heen en raakte me. Ik nam haar de woorden niet kwalijk, ze kon onmogelijk weten hoe het was.
Of wel?
Had ik haar ziek gemaakt?
Mans in de put, zij die altijd bereid was om te luisteren, naar mijn stem en naar de stiltes.
Projecteerde ik mijn suïcidale gedachten op haar? Ik huiverde. ‘Mans, ik ga mijn best doen,’ beloofde ik.
En zakte terug in lethargie.

Ik nam de aanbevolen hoeveelheid, wakker blijven nu.
In de slaapkamer zocht ik wat kleren, me actief voordoend. Bedrijvig liep ik heen en weer, opzichtig mompelend – zal ik vandaag dat rode shirt aandoen, schone sokken, waar zijn de sokken –
Tersluiks keek ik naar het bed. Ze sliep nog.
Besluiteloos stond ik midden in de kamer. Wakker kussen? Het was tenslotte haar verjaardag, een wipje was wel het minste, waarschijnlijk hoopte ze er op.
Ik kon het niet.
‘Hé Mans, ik maak een feestontbijt, kom je ook?’
Zonder af te wachten begaf ik me naar de keuken. Radio, bloemen, broodjes. Niet denken.
Na een half uur had ik de krant uit en sliep Mans nog steeds.
Met tegenzin liep ik naar boven en mat me een opgewekt gezicht aan, trok vrolijk de gordijnen open.
‘Goeiemorgen jarige. En? Hoe doe ik het?’ Ik was het lachen ontwend en wees naar mijn mond.
Ze zweeg.
‘Hé Mans, ik doe mijn best hoor, kom nou…’
Ik schudde aan haar, viel stil, en trok met een ruk het dekbed opzij. Een pillendoosje gleed op de grond.
Verstard stond ik daar en zag dat ze zich mijn wens had eigengemaakt.
==
© Bertie/Bertjens

Paasdrukte?

‘Tsunami aan toeristen dit paasweekend: hoe ontwijk je de enorme drukte?’
kopt De Gelderlander.
Het ligt er aan hoe je de dagen wil doorbrengen.
Keukenhof, auto’s bewonderen, meubels kijken, strand, speeltuin bezoeken, boswandeling?
Als ik bloemen wil zien ga ik naar de plaatselijke bloemenwinkel, daar is een pracht van een etalage.
Hetzelfde geldt voor de autoshowroom van onze garages.
Evenals de meubels. (in eigen huis zie je meestal ook tafels en stoelen)
Strand bouw je zelf in de achtertuin. Parasol, schep zand op het stoepie, zonnebril en ligbed.
Aan een speeltuin hoef ik niet te denken, godzijdank.
Een bos kun je bij elkaar fantaseren door langs de kamerplanten heen en weer te lopen.
Mocht dit allemaal niet lukken dan is er altijd nog een rustig café in de buurt.
En er zijn  afgelegen weggetje met bermen vol bloemen en gras. Heerlijk toch? Veeg de hondenpoep opzij en leg een plaid neer.

Zelf houd ik het bij thuis, al of niet onder het afdak, in of uit de wind en zon.
Met koffie, fris, ijs of een biertje. Of allevier als er visite komt. Dan gaan we eieren koken en -misschien- opeten en praten tot ze weer vertrekken.
Daarna een boek, tablet, weekendpuzzels. Mijn favorieten.
Af en toe wegsoezen. Wie een huisdier heeft neemt daar een voorbeeld aan,  strek de poten en knor zachtjes.
Er staat nog een telefoongesprek op stapel.

Ik verheug me op een toeristenloos weekend., laat die tsunami maar aan mij voorbijgaan.
Maar ik snap dat ik makkelijk praten heb, niet iedereen heeft een oudevrouwensmaak.
=

Zomermiddag

Ik slenter wat in het achtertuintje waar stilte heerst nu de helft van de buren weg is. Honden zijn uitbesteed, een genot dat op zich al vakantie te noemen is.
De wildgroei van bloemen en onkruiden door elkaar ziet er enigszins verwaarloosd uit, toch oogt het geheel niet onaantrekkelijk. Eigenzinnig.
Hier en daar scheur ik een verdord blad, bewonder een krullerige omlijsting rond de gebarsten spiegel en het hoogreikende koninginnenkruid.
De grote wortelklonten van de waterlelies zijn opdringerig en duwen de bloemen boven water waardoor die niet tot hun recht komen. Laat ze maar, over een paar maanden gaan ze er uit.
Kauwen terroriseren met veel lawaai de molenwieken. Zouden ze echt het idee hebben de baas te zijn?
Een verdwaalde vlinder fladdert weg als ik de camera richt. Moet een bangoogje zijn.
Er zoemt iets looms.
Met een kop koffie laat ik me in de luie stoel zakken, het is hier best uit te houden.
.

 

 

Samenwerken, soms lastig.

-Zo, nog gauw ff een wasje draaien. Geef die vuile sokken ook meteen.
Waarom die haast schat?
-Vanavond de verjaardag van M en dan wil ik de boel aan kant hebben voor we gaan.
Maar we hebben nog de hele dag..
-Nee joh, vanmiddag alle boodschappen.
Dat kan morgen toch ook?
-Denk je? Dan zijn we geen half mens na zo’n avond.
Ok, zal ik dan naar de super gaan?
-Nee, ik ga mee, jij neemt altijd het verkeerde.
Ik schrijf het wel op, zeg het maar.
-Haha, ik laat jou niet alleen in die winkel.  Wil je de stofzuiger pakken?
Maar er ligt niks…
-Toe nou, je ziet dat ik zelf geen tijd heb. De kadoshop nog, wat zal ik geven?
Bloemen zijn toch goed?
-Ze heeft een tuin vol.
Bonbons?
-Dieet. Toe, geef die sokken nou.
Ja mens, jaag niet zo; eh, kadobon? Blokker? Wat is er?
-Ik ga NIET met een truttenbonnetje naar mijn beste vriendin.
Wat is daar mis mee? Gister zei je nog dat ze zo vals was…
………
Waarom zeg je niks meer?
-Ga weg, naar de winkel of wat dan ook en kom niet eerder terug voor we naar M gaan.
Maar, dat wilde je toch zelf doen want……

Over vader- en moederdag

Echtgenoot en ik hebben veel moeite gedaan om de kinderen te laten afzien van het vieren van deze dagen. We vonden (en ik vind nog) het dagen waarbij een bloemetje of een ander kleinigheidje voldoende was.
Het ging moeizaam.
Er waren de tekeningen en ingefluisterde ideetjes van kleuter-  en andere juffrouwen. Dat waren vertederende cadeautjes waar je niet omheen kon.
Later probeerden we het uit te leggen, dat het opgedrongen feesten waren, te commercieel, niet nodig.
Helemaal zonder franje kwamen we er niet langs.
Dat maakten we af met  ‘Kopen jullie samen een bos bloemen, dan zorgen wij voor taart en wat lekkers.’
Niet alle kinderen hadden er vrede mee maar op de een of andere manier kwamen we er uit.
Gelukkig maar, deze dagen zijn geen onenigheid waard.

Voorjaarsonrust?

Daar heb ik weinig last van.
Vroeger vond ik het logisch.  De hele winter zat een gezin gepropt in een rookhol, zowel van benauwende haarden als van sigaretten, gebukt gaande onder de ‘gezelligheid’ die toen heette te heersen en dan nog diverse kookluchtjes waar geen klapraampje tegenop kon.
Voor kinderen ging het wel; feestdagen hielden de sjeu er in en bij sneeuw en ijs was er het genot van schaatsen en sleetjes.
Sommige moeders echter haakten naar schone lucht.
Weg met dat gebruinde behang,  berookte gordijnen en tafelkleed,  muffe beddengoed en onfrisse kasten vol kleren, in het sop ermee. Wasmachines snorden, stofzuigers galmden in holle kamers, een paar dochters raagden en lapten.
Mijn moeder en menig zus en tante heb ik na afloop zien genieten als ze blij rondkeken en snoven: wat ruikt het hier weer lekker.
Vergelijkbaar met een softdrugje. En de opgewektheid hield dagenlang aan

Als kind vond ik het spannend maar heb die behoefte al lang niet meer.
Behangen en schilderen? Dat zie ik nog wel.
Kasten en kelder opruimen? Dat heb ik al zo vaak gedaan, ik ga de spullen niet nogmaals verplaatsen. Hetzelfde geldt voor schuurtje en garage.
Vliering? Laat die stofdraden maar hangen, ze vormen een geschikt gordijn om de rommel aan het zicht te onttrekken.
Er wordt niet gerookt en gestookt, de cv doet zijn werk. Stofzuigen doe ik wekelijks net als bed verschonen en vitrages heb ik niet meer.
Waar ik wel om geeft zijn de eerste bloemen en ik kan het niet laten om iets fleurigs binnen te halen.
Ze staan midden op tafel, truttig misschien maar ik vind het prachtig.
Blij kijk ik rond , snuif en denk: wat ruikt het hier weer lekker.