Toen een huisvrouw het nog druk had

‘Opzijopzijopzij…’
Dit wordt niet hardop gezegd maar de boodschap komt over: zij heeft haast.
Zodra ze de supermarktdeur binnenvalt vliegen aanwezige klanten naar de zijpaden.
Sommige nemen geen risico en sluiten zich aan bij de manager die zich verschanst achter de breedste van de vakkenvullers.
Men kent haar.
In haar huis gaat het op eendere wijze.
Als een wervelstorm sleurt ze de gezinsleden uit bed, drukt hen het ontbijt door de keel en duwt ze de deur uit.
Opruimende werpt ze af en toe een hap brood naar binnen en voert kat, cavia, parkiet en hond.
Ziezo, denkt ze na het volgooien van de vaatwasser, dat is gebeurd. Wat moet er nog meer gebeuren; stofzuigen, dat is wel nodig of neem ik eerst de ramen? En dat boek moet ook nog uit, als ik het op de aanrecht leg kan ik tegelijkertijd lezen en de aardappelen schillen.
Het lukt.  Het kost wat pleisters maar het gaat heel goed; weet je wat, denkt ze, ik snij meteen de andijvie. Het grote mes zoeken, de plank, de krop er op. Onderwijl leest ze met één oog  verder.
Oei, au…  trillend reikt ze naar de handdoek om nieuw bloed te stelpen. Verdorie, was daar bijna het boek bevlekt,  het is nog wel van de bibliotheek.
Voorzichtig kijkt ze onder de handdoek. En schrikt van de jaap in haar linkerduim, nog net niet tot het bot.
Vlug onder koud water,  tjess, pijnlijk.
Met veel gehannes maakt ze een noodverband van zakdoeken en pleisters.
Hè, ze is er misselijk van, draaierig hangt ze voorover. De kat kijkt stoicijns naar haar, de hond jankt meelevend maar niet verbaasd.
Haar verstand krijgt de overhand. Eindelijk.
Ze kruipt op de bank en rust, al lezende,  tot het kloppen in de duim afneemt.
Dan gaat ze rechtop zitten, gaapt en rekt, controleert het noodverband en ijlt  naar de stofzuiger, pakt onderweg de plumeau,  neemt de rinkelende telefoon op……

Dit stukje is ongeveer acht jaar oud, door een haastklusje vanmorgen dacht ik eraan terug. Het was niet eens zo erg overdreven.
Advertenties

Doordraaien

Mathijs brengt zijn programma zoals alleen hij dat kan, hijgerig en razendsnel.
Zap.
Best singer. Doremi lalalááá en terug, tranen, kandidaat af. Voilà,  de volgende.
Zap.
Zoekzoek, vader of moeder en laat ze alsjeblieft gevonden worden.
Zap.
Wanna be a topmodel?
Oh please…
Zap.
Halina, ze grijnst.  Prem, grijnst ook.
Zap.
Bloed. Superzweer onder de scalpel.
Zapzap!!
Baudet. Buma. Brexit. Rutte.Trump.
Zapzapzapzapzap.
Help.
IK draai door.

Blo, vampierenkind

De  Lucarda’s kregen een zoontje.
Vader Des en moeder Dif waren heel gelukkig met het kleintje; ze noemden het kind Bloody, afgekort Blo.
Blo’tje was een mooie baby, hij deed het goed op de voedzame melk van Dif.
Tot de dag dat hij groot genoeg was voor foeragetochten.
Daarmee kwam iets eigenaardigs aan het licht: Blo lustte geen bloed. Hij kokhalsde ervan.
O, hij genoot wel van de nachtelijke tochtjes, hij zette graag zijn tanden ergens in. Alleen dat bloed, jèk, liever fladderde hij naar een appelboom.

Zijn ouders probeerden het met vampierenvoedsel; Dif maakte vatensoep-met-balletjes en adertjespap, ze wist de hand te leggen op verse boezemfilet. Zonder resultaat. Blo’tje lustte géén bloed en daarmee uit.
Daarentegen was hij in zijn element bij fruithandelaren.
Elke nacht zocht hij kiertjes in hun voorraadhallen waar de geuren hem zowat bedwelmden en hij zich tegoed deed, fladderend van kistje naar kistje. Hij beet gaten in appelen en bananen, proefde hier wat van en daar, sabbelde gezellig met de buurkevers alle druiventakken leeg en vloog, boerend van teveel sap, naar huis.
Meestal waren Des en Dif nog op jacht en kon hij naar bed.
Soms zaten ze op hem te wachten met een slaapmutsje.
Hij vond dat vervelend; van bloedwijn kreeg hij het zuur en dan zijn vaders opschepperij die half Roemenië had leeggeslurpt inclusief Ceaușescu. Zei hij. Bah.

Intussen was de Fruithandelarenbond in alle staten. Niemand wist welk insect grote tanden had, niemand dacht aan een vampier.
Men besloot het probleem groots aan te pakken.
Alle denkbare vergiften werden ingezet, men vernevelde ethylalcohol, kliederde met aldrin. Het was een machtig offensief waarbij het fruit zelf alvast het loodje legde nog voor het middernacht was.
Toen kwam Blo.
Hij was pas half binnen en rook direct een walgelijke walm, hij wist niet dat zoiets smakelijks zo vies kon ruiken.
Er waren slechts kisten met verschrompelde schillen. Ook lagen er lijkjes, enkele halfdooie pieren bewogen nog sloompjes.
Het was een gruwelijke aanblik.
Aangedaan mompelde hij een weesgegroet, bekruiste zich en verdween. Opstandig en hongerig. Wat moest hij nog op deze wereld?
Zijn lege maag dreef hem naar de velden en uit chagrijn beet hij de eerste de beste koe die hij tegenkwam en slurpte. En nog een. En weer.
Het bekwam hem onverwachts goed.
Bloed gaat tenslotte zijn eigen gang.