Bang voor onweer

Oud stukje. Echtgenoot is er niet meer, mijn angst nog steeds.

‘Het onweert…’ kwam ik binnenvliegen. Echtgenoot keek op, ‘het is nog ver.’
‘Weet ik,  het is evengoed èng.’
‘Wat dondert het,’  probeerde hij  maar ik kon er niet om lachen.
Nerveus liep ik naar boven, mijns ondanks gefascineerd door de aparte lichtval die donderbuien met zich meebrengen. Rrrrrrommmmm klonk het, plotseling vlakbij;  geschrokken rende ik weer naar beneden.
Van de keuken naar de serre, stil blijven zitten is niet weggelegd voor een bangerd.
Een dikke wolk barstte open.
Hoog-opspattende druppels, regennevels die van dak naar dak joegen deden me de camera grijpen maar door een keiharde knal  trilden mijn handen teveel en opnieuw vluchtte ik, ditmaal naar de veilige huiskamer waar ik mijn man wist.
Mijn trooster, veilige haven, mijn superman.
Die stoïcijns voor de  televisie bleef zitten.

Advertenties

Fietsvers

We waren op de fiets gesprongen
want we voelden ons gedwongen
van de winter te genieten
dus we reesten door de straten
-het verkeer in alle staten-
toen het plots begon te gieten.

Nondedju wat ’n gedonder
éven leek het ons gezonder
af te stappen bij een kroeg
en een neutje in te nemen
bij de barjuffrouw wat flemen.
Helaas, het plichtsgevoel dat joeg.

Ergo, we trapten ons te pletter
bliksem flitste met geknetter
sportgevoelen sloeg op tilt
nooit hadden we zo luid geklaagd
in regen die zo sterk gevlaagd
ons lijf onwinters heeft verkild.

© Bertjens

Boos weer


‘Het onweert…’ kwam ik binnenvliegen.
Echtgenoot keek op; ‘het is nog ver.’
‘Weet ik wel,  toch is het eng.’ Ik rilde.
‘Wat dondert het,’  probeerde hij. Ik kon er niet om lachen.
Nerveus liep ik de trap op naar een bovenraam, mijns ondanks gefascineerd door de aparte lichtval die onweersbuien met zich meebrengen.
Rrrrrrommmmm klonk het, plotseling vlakbij;  geschrokken rende ik weer naar beneden.
Naar de serre, stil blijven zitten is niet weggelegd voor een bangerd.
Een dikke wolk barstte open. Hoog-opspattende druppels, regennevels die van dak naar dak joegen deden me de camera grijpen maar door  een keiharde knal  trilden mijn handen teveel en opnieuw vluchtte ik, ditmaal naar de veilige huiskamer waar ik mijn man wist.
Mijn trooster,  held, veilige haven, mijn superman.
Die stoïcijns voor de  televisie bleef zitten.

blubblub


Ja, ik zit nog steeds ondergedoken. Letterlijk.
De broeierigheid werd gistermiddag zo hevig dat ik me overal van los moest rukken: plakkend aan armleunigen, deurknoppen, aanrecht en koffiepot tot ik tenslotte aan de vloer genageld leek en geen kant heen kon.
Dat werd me te gortig.
Ik stapte uit de slippers en daalde af in het transpiratiebad dat zich rondom mijn lijf vormde. Daarin zweefde ik, wachtend op een stortregen en/of koele tocht. Die beiden uitbleven, het armzalige trekje dat me ten deel viel deed het bad amper rimpelen.
Wel bliksemde het, veel en vaak; toen tenslotte een regenbui zich liet horen sliep ik al, rustend in mijn persoonlijke zweetbad. Tot vanmorgen .
Wakker wordend probeerde ik eerst de lucht. Die was nog steeds lauw en klam.
Opnieuw dook ik onder.
Toch is er hoop.  Het bad koelt af, langzaam, langzaam maar duidelijk. Af en toe steek ik een vinger boven water en voel ik dat het gezonder is.
Wordt het misschien nog een fris weekeinde.