‘Ze praatte en praatte..’

Ze was niet te stoppen, het meisje dat ik trof in de bibliotheek.
Eindeloos was de uitleg over haar tijdelijke afwezigheid en dat het haar speet,  maar door dit en dat en blabla en nog meer bla.

Na vijf minuten viel ik in. ‘Wat vervelend meid maar ik moet nu echt weg.’ Hierdoor aangemoedigd begon ze een nieuw draadje. En toen en toen en toen en daarna.
Opnieuw onderbrak ik haar. ‘Ik heb werkelijk geen tijd meer, volgende week ...’ en opnieuw begreep ze me verkeerd.
Wat nu. Zonder meer weglopen was te bot. Van de andere kant, ik had nog maar tien minuten.
Ik sloeg heel hard met een vuist op tafel. Boeken sprongen op en de biebmevrouw snelde toe. Het kind praatte door, haar boeken bijeen leggend.
In wanhoop keek ik de mevrouw aan, ze knikte. ‘We kennen haar,’ mimede ze.
We overlegden woordeloos.
Na een laatste blik op de klok begreep ik: wat moet dat moet en drukte op de neus van het meisje waarna het geluid wegstierf. De biebmevrouw trok aan de haren, de mond klapte dicht.
En zo, zonder dat ik op een lompe manier weg hoefde te gaan kon ik op een beleefde manier afscheid nemen.
Ik lachte het meisje vriendelijk toe, legde uit dat ik haast had en vertrok.
Ze snapte er niets van en gelooft het nog steeds niet.