Soms druk, soms alleen, maar eigen baas.

Vorige week. Niemand gesproken behalve een enkele bekende in winkels of op de markt.
Deze week. Dagelijks een koffie- of theeleut. Voor morgen staat een afspraak.
Het is de gewone gang van zaken.
Het komt voor dat je een paar weken achter elkaar alleen de vaste bezoekers treft dan wel zelf op bezoek gaat. Berichten blijven uit behalve die van apotheek of tandarts, zelfs de huistelefoon laat zich niet horen, vaak heb ik zelf ook geen zin in gezelschap.
En net als je denkt: zalige vrijheid maar nu wordt het wel èrg eenzaam, stuurt iemand een koffieverzoek.
Belt voor een praatje.
Stelt een shopuurtje voor.
Vraagt voor een evenementje.
Er komt een boodschap door.

Het ongeordende leventje is een groot voordeel van gepensioneerd zijn. Als alleenstaande, moet ik erbij zeggen. Voor een (echt-)paar loopt het wellicht anders.
Ik zou niet meer in een vast ritme willen zitten behalve wat eten en slapen aangaat en bij een club is het ook aanpassen.
Verder ben ik, tot op zekere hoogte, eigen baas, daar hoort onregelmatige aanspraak ook bij.
Met de bus weg als ik daar zin in heb.
Poetsen als ik daar zin in heb. Of niet.
Boeken in één ruk uitlezen als ik daar zin in heb.
Enzovoorts.
Nooit eerder kreeg ik zo vaak mijn zin als nu.
Dat had ik als kind niet kunnen bedenken.
==

Advertenties

Een goede buur is beter dan…..

Van de week moest ik dringend ergens naar toe, ongeveer 15 km buiten het dorp.
Een dag later op ziekenbezoek, ca een uur rijden.
Er wachtte een berg bouwafval op een ritje naar de belt. Dat is 5 of 6 km.
En ik heb geen auto.
Goede raad was niet duur, zelfs benzinekosten moest ik opdringen.
Een aangetrouwd nichtje, een buurvrouw en een buurman-met-aanhangwagen hielpen me uit de brand.

Het nichtje is altijd bereid te helpen, ze heeft echter een druk eigen leven zodat ik haar niet wil overvragen.
Dan zijn goede buren een uitkomst, dat viel deze week extra op.
Sterker: je kunt ze gewoon niet missen.

 

 

 

 

 

 

 

Krant naar keuze


Bladerend in het krantenrek bleef ik hangen bij de Telegraaf. En dacht terug aan de jaren ’50. (sorry hoor, de leeftijd...)
We lazen indertijd de Volkskrant,  iemand nam de Typhoon af en toe mee en ik geloof dat er ook een Zaanlander bestond.
Eenmaal verkast naar Oost-Brabant kwam werd de Volkskrant verruild voor De Gelderlander, deze krant kwam toen de VK tamelijk nabij en zo leerden we meteen de regio ’n beetje kennen.
Tot zover de smaak  van mijn ouders.
Maar toen.
Zagen ze, op bezoek zijnde,  bij ons de Telegraaf liggen, blikvangend midden op het salontafeltje.
Tja. Nou.
Ze wilden geen kritiek leveren maar ik wist: als er ìemand was die een hekel had aan dit blad met de schreeuwerige berichtgeving was het wel mijn vader.
‘Is het wat?’ vroeg hij, voorzichtig. ‘Och…’ zei ik.
Hij overwon zichzelf en bladerde wat. ‘Beetje opvallend hè.’
‘Ja, weer eens wat anders,’ deed ik luchtigjes. Benieuwd of hij zou doorlezen.
Maar nee, hij vouwde hem dicht en gaf hem aan  mijn moeder, ‘Vrouw, wil jij nog effe kijken?’
Moe weerde hem kalmpjes af, ‘leg maar neer, Willem’.
Toen stond ik op, rommelde in de stapel bladen en viste De Gelderlander eruit. ‘Alstublieft.’ ‘Wat nou, lezen jullie twéé kranten?’
‘Ja, P. vind de Gelderlander niks en ik de Telegraaf niet.’
Groot was hun opluchting.  Dochter was nog niet helemáál verloren.