Winter met lentegeluid

Het was rondom half acht.
Donkerte won nog nèt.
Helder, koud, windstil.
Een genot om buiten te zijn.
Bevroren sneeuwkorrels knerpten, hier en daar stapte ik voorzichtig over een ijsplasje.
Na een paar minuten drong het tot me door dat ik vogels hoorde. Daar keek ik van op, zo vroeg? In het donker?
Het was geen uitbundig gefluit, meer gekoer en gekibbel als van een gezin bij het opstaan.
Het maakte het fijne weer nog mooier. .
Dat ik de poort niet open kreeg omdat het slot bevroren was deerde me niet. En met fiets en tas binnendoor naar de voordeur moest was grappig.
Zelfs de bijna-valpartij bij het struikelen over de drempel bij de bloedpriklocatie maakte me geen poep. De urinecontainer (de naam…) zat veilig dicht.
Een goed begin van de dag.

Advertenties

Nog even over die voortsnellende tijd

Die probeerde ik in te halen en wat denk je?
Werd ik wakker met ijsbloemen op het raam en bijna bevroren voeten.
Was ik hem gepasseerd.
Dat geloof je toch niet?
In paniek belde ik het KNMI waar ze me uitlachten. ‘Mevrouw, U droomt. Trek warme sokken aan en slaap lekker door.’
‘Neenee, het is de tijd. Die heb ik ingehaald, wie weet hoeveel ik nu voor lig, misschien ga ik straks dood of zo.’
Ze hingen op.
Tja, logisch denken was de enige optie die ik kon bedenken.
Langzaam als een luiaard bewoog ik me de rest van de dag, at traag een lunch (oude slak met druppelsaus) en kookte slow food.
Hap-je na hap-je na hap-je…
En eindelijk, de middag was al bijna om, werd het warmer, de zon draaide naar westzuidwest. Hij scheen en verwarmde mijn koude voeten. De tijd versnelde.
De vorst verdween.
Hij zwaaide nog.