strand

Strandfoto’s wekken herinneringen

Zussen wilden naar het strand. Moe gaf ze een beetje geld mee, broodjes, dunne ranja en als extraatje het jongste zussie.
Haar doel zal tweeledig zijn geweest, een paar zich vervelende tieners tevreden stellen en een kleintje dat ze in toom zou houden.
Ik was het extraatje, werd achterop de fiets gehesen, voelde me niet welkom maar was allang blij dat ik mee mocht. Bovendien waren de zussen best aardig, dat moet gezegd.
Ze bemoeiden zich niet veel met me,  druk als ze het hadden met gewapper van handdoeken en wimpers. Ze deden interessant met boeken en de transistor. Troffen bekenden.
Ik zag het aan van een afstandje maar hield me stil, ervaren in die dingen.
Tot ik moest plassen. Zoiets deden we altijd in zee, toiletten waren te duur.
Maar ik wilde ook het zussenfeest niet missen.Dus groef ik een kuiltje en deed daar de plas in. Zand erover.
Oudste zus kreeg het in de gaten: Zeg, ga jij es gauw de zee in, vooruit. Beschaamd rende ik naar het water, handen voor de natte plek.
Nog hoor ik het lachen van de meiden en jongens achter me, niet beseffend dat ze me als een klein kind zagen.
Daar voelde ik me te groot voor.
==

.

bezoek

Ongewenst bezoek

Op de markt liep ik een dame tegen het lijf aan wie ik een grote hekel heb. Beleefdheidshalve bleef ik staan bij het ‘Hallooo, hoe gáát het met je.’
Het praatje eindigde met ‘vandaag of morgen kom ik efkes an.’
‘Ik ben nooit thuis’ zei ik gauw.
Later, bij de koffie, bedacht ik dat het echt iets voor haar was om met etenstijd binnen te vallen en hongerig naar het brood te kijken. Ik deed er beter aan de poort op slot te houden.

Te goed herinner ik me de keer dat een irritant echtpaar op de stoep stond en ik niet opendeed. Na drie maal bellen  hoorde ik ze weglopen, ze gingen achterom.
Ik vloog naar het keukenraam, trok de gordijnen dicht en draaide de deur op slot.
O god, de gordijnen sloten niet aan en ik hoorde de poort al.
In paniek dook ik naar de grond waar ik onder het raam ging liggen, strak tegen de muur.
Net op tijd. Ze rammelden aan de deur, scharrelden bij het raam, murmelden. Gesmiespel. Weer stilte. Een harde tik, voetstappen en de poort die met een knal werd dichtgegooid.
Ik bevroor.
De spiegel, ik had niet aan de spiegel gedacht. Die hing tegenover het raam en de plek waar ik lag. Als ze naar binnen keken moeten ze me hebben gezien. Een klassieke spotprent.
Toch beschaamd kroop ik overeind en was naderhand opgelucht te merken dat ze me niet zagen. Of het niet wilden zeggen. Dat kan ook.
Nu deze dame nog weg zien te houden.
Of zal ik een fort bouwen?