Slecht horen – slecht praten.

Er werden nieuwe meters geïnstalleerd, voor gas en stroom.
De monteur kon elk moment komen, daarom hield ik alvast de gehoorapparaatjes bij de hand. Vaak zijn ze niet nodig maar met onbekenden is het afwachten hoe ze spreken.
Mummelaars zijn echt lastig, je hoort ze wel maar verstaat er geen barst van, daar heb je geen doofheid voor nodig.
Ook een andersoortig dialect kan moeilijk zijn, vooral als er op mitrailleursnelheid gerateld wordt.
Enfin.
De monteur belde aan, ik liet hem binnen en wachtte met spanning op zijn woorden.
‘Goedemorgen,’ riep ik jolig, luid en duidelijk. Als voorbeeld.
Het hielp niet.
‘gmgn’ murmelde hij, schudde mijn hand en wees naar de meterkast. Inwendig huilde ik.
‘Sorry meneer, even mijn oren aanzetten.’
Hij knikte en begon met zijn werk.
Ik stond er sukkelig bij, weet nooit goed wat ik moet doen bij een kluswerker.
Een gezellig praatje kan in dat geval de oplossing zijn, helaas ging het deze keer te moeizaam.
Ik zei dat ik hem niet goed verstond.
Dat werd begrepen. Hij murmelde luider.
Door wanhoop gedreven vroeg ik om uitleg over de nieuwe meters, daar trapt iedere vakman in en ook hij gaf een gedetailleerd verslag. Ik stond erbij, knikte lukraak en zette een pienter gezicht op. Hoopte ik.
Zo kwamen we de tijd door. Murmelend en ‘jaja’ zeggend. Hier en daar verkeerd, aan zijn blikken te zien.
Na afloop bood ik koffie aan.
Die sloeg hij af.
Voelde zich waarschijnlijk net zo belazerd als ik.

Advertenties

Verhaal eerste deel, morgen de rest.

Vriendin –  vriend

‘Je was altijd al een trut.’
Onzeker loerend richt ze een valse en halfdronken blik op mijn gezicht.
‘Ik heb je teruggepakt, Joosje.’ Grijnzend. ‘Wil je weten hoe?’
De grijns verbreedt zich. Schouderophalend veins ik onverschilligheid.
‘Hij is goed in bed, jouw Jack.’ De triomf in haar ogen maakt dat ik haar geloof.
Ik sta op…
‘Wil je’t niet horen?’ Ze lacht nu voluit.
…pak tas en sleutels, gooi geld op de tap en loop weg.
‘Lazer dan maar op, kutwijf’ schreeuwt ze me na. Iemand maakt sussende geluiden, de deur valt dicht.
Buiten blijf ik staan. Verwezen en razend tegelijk.
Langzamerhand zakt de woede om te wijken voor ontreddering.
Wat moeten we nou. Wat moet ìk nou.

‘Hoe was het met je vriendin, mager en teut zeker?’ Jack neemt een grote hap, kauwt en slikt met genoegen. ‘Ze zou ook zo lekker moeten eten, dat scheelde een paar slokken.’
‘Och…’
Te vaak hebben we dit besproken zonder resultaat. Hij wil haar niet in huis langer dan een kort bezoek al pleit ik om haar te helpen. En nu. Wat nu.
‘Opnemen en verplicht afkicken, dat is het beste. Ze wordt een wrak, zonde om een mooie meid zo te zien verloederen.’
Zwijgend neem ik zijn woorden in me op. Mooie meid? Door haar bekentenis krijgen ze een beladen betekenis . Mooi genoeg voor een slippertje? Of is het weer een geniepigheidje van haar kwaadaardige dronk? De uitdrukking op haar gezicht zei anders genoeg, ik kan het niet afdoen als een van haar streken.
Ik wil het weten.
Mijn liefde voor Jack vlamt niet hoog meer maar belazerd worden, daar pas ik voor.