Mijn geliefde kerstster


Een beeld was het, hij sprong eruit tussen honderden andere met zijn dieprode bladeren, fluwelig en rijk. Stevige voet in mooie aarde.
Pittig rechtop in een goeie pot.
Ik kon hem niet weerstaan en nam hem mee. Hij paste precies voor het keukenraam en stond daar zo feestelijk te wezen dat ik elke dag koekjes voor hem bakte. Of een taart. Soms een lekker maaltje maakte. Dan weer een patatje haalde. Hij lustte het niet maar ik wel.
Zo hadden we het heel genoeglijk samen.

Toch was hij niet gelukkig. Er verdorde een tak. Daarna twee. Hij tierde niet en ging zienderogen achteruit.
Bladeren vervaalden tot dorre ritsels. Ik gaf meer water, toen minder, baadde hem in geurige olie waarna hij definitief de geest gaf en tenslotte begroef ik hem naast de jeneverbes.
Daar ligt hij dood te wezen.
Zonder steen, mocht hij aan reïncarnatie doen moet hij eruit kunnen. In dat geval hoop ik dat hij een paar bessen kan oppikken, het maakt de start zoveel prettiger.

Feestelijke maaltijden eet ik nog iedere dag als een vorm van rouw, een geliefde kan ik niet zomaar loslaten.
Het is mijn trouwe aard.

Advertenties

Zo kan het ook


Behalve flauwekul valt er ook wel eens iets anders te vertellen. Niet diepergaand, wel naar waarheid.
Een van de zussen had een tuintje met een oude, wijdvertakte perzikenboom  waaronder niets wilde groeien.
Bij een bezoek zagen we zus springend heen en weer lopen onder de takken; nieuwsgierig vroegen we wat er aan de hand was.
‘M. heeft hier dat oude matras begraven maar niet diep genoeg. Het blijft veren. Hoelang blijft dat zo?’
Nou ja…  goeie smoes.
Zoiets kun je niet verzinnen.
Ik snap het wel. Een overtollig tweepersoonsmatras met springveren, loeizwaar en niet te hanteren, teveel sjouwwerk om het weg te brengen, dan is de gedachte aan een stuk ongebruikte grond helemaal niet gek. Praktisch naast de deur, een of twee spaden diep en hupsakee.
We vonden het slim.