Generale repetitie

Eergisteren zag ik de heer S. Klaas.
Op een stille plek in het bos hield hij de laatste oefening voor zijn verjaardag,
De man was opvallend verouderd, het spinnenweb op zijn gezicht leek een ravijnenlandschap.
Desondanks zat hij kaarsrecht op een eveneens zeer oude en schonkige schimmel.
Hij pronkte met zijn leeftijd, uitdagend zelfs; een kuierend stel bejaarden verdween schielijk achter een boom, zich schamend voor hun jonge ouderdom.

Hij beheerde nog steeds een grote stoet bedienden, zag ik. Ook zij waren actief.
Hoewel zwart uitgeslagen van ouderdom deden zij koene pogingen hun lijven wat op te rekken. Af en toe dansten hun stramme beentjes uit de maat, dan kreunden ze een liedje.
Streng als oude mannen soms zijn  hield de heer Klaas zich doof voor hun klachten.
Hij raffelde de oefening af en begaf zich naar café Groenzicht teneinde de middag af te ronden.
Nieuwsgierig volgde ik hem.
De bedienden -half kreupel van spierpijn- volgden gehoorzaam hun baas die zich van zijn paard liet helpen en dorstig naar de tapkast schreed.
Waardig knikte hij naar de kastelein, de man mocht een rondje geven.

Het was een natte afsluiting van de repetitie.
Ongelooflijk, zoveel drank als de oude naar binnen wist te hijsen. Alle cliché’s over Klazen waren op hem van toepassing: te rode wangetjes, het slissen, scheve baard,  het geloens naar de vrouw des huizes. De heer Klaas speelde het met verve.
Met verbazing zag ik het aan, ik wist niet dat borrels zoveel elan konden opwekken.
En toen hij het barmeisje over de knie legde begreep ik het pas.
Hij was een oefenklaas die de echte nadeed.
=