Bang voor onweer

Oud stukje. Echtgenoot is er niet meer, mijn angst nog steeds.

‘Het onweert…’ kwam ik binnenvliegen. Echtgenoot keek op, ‘het is nog ver.’
‘Weet ik,  het is evengoed èng.’
‘Wat dondert het,’  probeerde hij  maar ik kon er niet om lachen.
Nerveus liep ik naar boven, mijns ondanks gefascineerd door de aparte lichtval die donderbuien met zich meebrengen. Rrrrrrommmmm klonk het, plotseling vlakbij;  geschrokken rende ik weer naar beneden.
Van de keuken naar de serre, stil blijven zitten is niet weggelegd voor een bangerd.
Een dikke wolk barstte open.
Hoog-opspattende druppels, regennevels die van dak naar dak joegen deden me de camera grijpen maar door een keiharde knal  trilden mijn handen teveel en opnieuw vluchtte ik, ditmaal naar de veilige huiskamer waar ik mijn man wist.
Mijn trooster, veilige haven, mijn superman.
Die stoïcijns voor de  televisie bleef zitten.

Advertenties

Bang? Nee toch…

Volle maan.  IJselijke dingen komen voor. Toch niet echt? hoop ik.
Schrikachtig luister ik naar de nacht.
Niet hier, mompel ik mezelf gerust, dat ritseltje is een dakduif, het schijnsel  een manestraal , het gehuil is de buurbaby en –
‘Oh ja? Hahahahaaa….
Verstard lig ik daar en luister. Iets sluipt grinnikend onder het bed door. Plotseling staat het naast me.
Dodelijk bang staar ik naar gele ogen en punttanden, voel nagels langs mijn gezicht.
‘Had je niet gedacht hè?
‘Ga weg ,’ fluister ik.
Het ademt walgelijke walmen en grijpt mijn arm. Panisch stomp ik in het gezicht, en weer, tot het wezen me loslaat en verdwijnt.
Vloekend en slissend.
Rillend sta ik op, wat een rotdroom.
Ik sluit het raam, veeg wat zand weg… zand?  Met een pootafdruk??
Dan val ik flauw.