Hebben honden mensenkennis?

In de roman die ik las kwam een kat voor die een hekel had aan iemand, zo vurig dat hij de man krabde als hij de kans kreeg. Of een kat dat echt zou doen is een vraag.
Mij deed het onmiddellijk denken aan R, een vroegere vriendin.

Elke hond die we hadden (nou ja, in totaal maar 3) was bang voor of kwaad op haar.
Zodra ze de achterdeur opendeed reageerde de eerste (fox)  door op te vliegen en in de verste hoek  zitten terwijl een fox niet bang is aangelegd.
Bij de volgende (basset) werd het grommen en tanden laten zien, zo ver mogelijk van haar af.
De laatste (spaniel) zat haar -ook al op een afstandje-  in de gaten te houden, bij bewegingen gaf hij een inwendige grom.
Later, toen we geen dieren meer hadden, kwam er een  vinnig  dwergpoedeltje op visite, tegelijk met R. Je raadt het al, het beest ging tekeer als een razende en we moesten hem buiten zetten waar hij zich schor kefte.
Ze probeerde wel eens een aaitje maar ze lieten het niet toe, hapten zelfs naar haar hand.
We vroegen of ze dat elders ook tegenkwam, die hekel van dieren. Ze wist het zelf niet.
Aan de katten merkten we niets, die smeerden hem sowieso al als het te druk werd.

We hebben nooit geweten wat zij in zich had waarmee ze de honden zo op stang joeg.
Ze gedroeg zich heel gewoon, we konden het goed met elkaar vinden.
Misschien dat haar harde stem, samen met haar drukke manieren iets opwekten? Voelden ze haar onverschilligheid als een afwijzing? Het is raden.
Zou het dan toch waar zijn dat dieren een karaktertrek onderkennen? Maar welke dan?
=

Bang voor onweer

Oud stukje. Echtgenoot is er niet meer, mijn angst nog steeds.

‘Het onweert…’ kwam ik binnenvliegen. Echtgenoot keek op, ‘het is nog ver.’
‘Weet ik,  het is evengoed èng.’
‘Wat dondert het,’  probeerde hij  maar ik kon er niet om lachen.
Nerveus liep ik naar boven, mijns ondanks gefascineerd door de aparte lichtval die donderbuien met zich meebrengen. Rrrrrrommmmm klonk het, plotseling vlakbij;  geschrokken rende ik weer naar beneden.
Van de keuken naar de serre, stil blijven zitten is niet weggelegd voor een bangerd.
Een dikke wolk barstte open.
Hoog-opspattende druppels, regennevels die van dak naar dak joegen deden me de camera grijpen maar door een keiharde knal  trilden mijn handen teveel en opnieuw vluchtte ik, ditmaal naar de veilige huiskamer waar ik mijn man wist.
Mijn trooster, veilige haven, mijn superman.
Die stoïcijns voor de  televisie bleef zitten.

Bang? Nee toch…

Volle maan.  IJselijke dingen komen voor. Toch niet echt? hoop ik.
Schrikachtig luister ik naar de nacht.
Niet hier, mompel ik mezelf gerust, dat ritseltje is een dakduif, het schijnsel  een manestraal , het gehuil is de buurbaby en –
‘Oh ja? Hahahahaaa….
Verstard lig ik daar en luister. Iets sluipt grinnikend onder het bed door. Plotseling staat het naast me.
Dodelijk bang staar ik naar gele ogen en punttanden, voel nagels langs mijn gezicht.
‘Had je niet gedacht hè?
‘Ga weg ,’ fluister ik.
Het ademt walgelijke walmen en grijpt mijn arm. Panisch stomp ik in het gezicht, en weer, tot het wezen me loslaat en verdwijnt.
Vloekend en slissend.
Rillend sta ik op, wat een rotdroom.
Ik sluit het raam, veeg wat zand weg… zand?  Met een pootafdruk??
Dan val ik flauw.