tanden

Zomaar een paar tandjes

Er liep een kunstgebit in de winkelstraat.
Hij was zo vrolijk, lachte zo blij naar iedereen dat alle mensen groetten en zwaaiden, enkele  namen hun pet voor hem af.
Hij wandelde naar de drogist en bekeek daar alle tandpasta’s, de borstels en het flosdraad, hij kreeg een gratis proefpakket.
Daarna naar de groenteboer, die gaf hem een paar worteltjes.
De bakker liep hem achterna met bolletjes volkorenbrood, de slager met een stevig bot.
Toen hij genoeg gegeten had lachte hij nogmaals naar iedereen en huppelde naar huis.
Men praat nog steeds vol lof over hem,
dat blije kunstgebit.
==

eten·vakantie

koken en vakantie

Schat, ga jij even naar de bakker? Het brood is op.
– Okee.. tot zo.
Ben je nou al terug?
– De bakker is met vakantie en de supermarkt is op slot.
Echt waar? Nou, dan leen ik wel wat bij de buren. – Krijg nou wat,  links en rechts zijn ze niet thuis.
– Zullen we een aardappelsalade maken? Smaakt toch ook?
Goed idee maar de piepers zijn op.
– Dan haal ik een zakje. – Barst. De groenteboer is  met vakantie…
Nou zeg, dat  valt me tegen. En de slager? Voor een biefstukje.
Ben al weg. – Nope. ik vraag me af of we nog wat te eten krijgen vandaag.
Ach wat, we hebben elkaar toch?
– Klopt,  je bent om op te eten, jammie…  maar de vettent is ècht lekker.