Petrus speelt voor god

Zo af en toe ga ik op visite naar de hemel. Meestal met een /verzoek, deze keer had ik zin in een praatje.
Petrus fronste toen hij me zag. ‘Hallo,’ begon ik, ‘ik kom gezellig buurten.’
Aarzelend ging hij koffie zetten.
Langzamerhand ontdooide hij en haalde zelfs spritsen tevoorschijn.
‘Hmmmm, mijn lievelingskoeken.’
‘Dat weet ik,’ anrwoordde hij.
Daar keek ik van op. ‘Hoe kan dat nou, ik woon zo ver weg.’
Hij lachte gevleid. ‘Met een baas als de mijne leer je veel.’
‘Echt? Word je een beetje goddelijk.’
‘Nou, dat niet maar een paar van die kneepjes ken ik nu ook’
Opwindend! ‘Kun je die mij ook leren?’
Hij keek me aan, ernstig nu.
‘Nee, Bertjens, ik heb een eed op zwijgzaamheid moeten afleggen in verband met bedrijfspionage.Stel je voor dat iedereen er maar op los wondert en alles van elkaar weet. Dat moeten we niet hebben.’
‘Dat is toch juist goed? Geen stiekem gedoe meer, en…’ mijn stem stierf weg. Er zat toch een verkeerd kantje aan.
‘Niet zo onnozel denken Bertjens. Criminalteit gaat hoogtij vieren, het is niks. Tenslotte moet ìk ze beoordelen na hun dood.’
Een heftige reactie. Wantrouwig vroeg ik ‘Heb je dat helemaal zelf bedacht?’
‘Gewoon logisch denken. Daar heb ik de baas niet voor nodig.’
Ik piekerde. Dus god heeft eigenzinnig personeel. Dat is bekend van wat er op aarde rondloopt. Maar in eigen hemel?
‘Is je baas thuis? Ik zou wel eens willen weten hoe hij hier over denkt.’
Petrus dronk zijn kopje leeg en stond op. ‘Je moet gaan, ik heb het nog druk en mijn baas ook. Ik zal hem je groeten doen.’
Resoluut hield hij de poort open en bonjourde me weg.
Nou ja zeg, wat een vooruitzicht.
Klop je aan de hemelpoort, gaat de portier beslissen of je erin mag.  God had de sleutel beter aan een kloon van zichzelf kunnen geven.

Een vreselijk idee.
Ik ben blij dat het verzonnen is.

© Bertie

Twee verschillende honden

 Ze wachtten.
Hun baas had ze vastgebonden aan een fietsenrek, ‘rustig blijven, jongens, ik ben zo terug.’
De een was wit met zwarte vlekken, de ander was bruin. Naast elkaar zittend zagen ze er schattig uit en vertederden de mensen, werden geaaid en getutteld.  De lichte kwispelde verzaligd, de bruine reageerde matig enthousiast, zijn ego was te groot voor gepoezel.
Het duurde lang en na een kwartier werd de bruine, die altijd al slecht luisterde, ongedurig en ging staan.
– Hela, blafte hij naar de ingang, komt er nog wat van?
– Aiaiai, jankte de lichte, je mag niet ongeduldig wezen.
De bruine snauwde. -Zeur niet schijterd, en hij begon weer te blaffen. -Schiet es op, hoe lang duurt het nog?
-Ooooo, wat ben jij brutaal, dat ga ik straks vertellen, moet je zonder eten naar je nest. De lichte watertandde al, hij voorzag een dubbele portie brokken.
Geërgerd draaide de bruine zich om. -Hebberige klikspaan, moet je een schop? Hij trapte met zijn achterpoot de lichte op de tenen.
Die begon te huilen, -woehoehoevvv….
Toen werd de bruine pas echt kwaad; hij duwde een paar keer, de lichte maakte zich klein. Hun riemen en staarten draaiden ineen, het fietsenrek wankelde, de lichte huilde nog harder. Mensen bleven staan en riepen -Dolle honden, dolle honden, laten we ze afmaken!’
Net op tijd kwam de baas naar buiten. Hij overzag het tafereel en ontmoette de blik van de donkere die hem kwaad aankeek.
-Sorry sorry, hij haalde de vastgeknoopte riemen uit elkaar en de staarten. Met gehavende vacht, de lichte trekkebenend, zetten ze de sokken erin, ze trokken hun baas mee, al maar rennend tot ze thuis waren.
Daar mochten ze los lopen en kregen als troost een bak brokken-vanille met chocoladeijs toe.
-Voor die ene keer jongens. Morgen doen we weer normaal.
De lichte likte zijn hand.
De bruine keerde zich walgend af.
-Slijmerd.

ps plaatje is van Internet.