school

Zomaar een schoolpraatje.

Hoe makkelijker een kind leert, hoe hoger het vervolgonderwijs moet zijn, dat zit er bij veel ouders ingebakken. Alsof het allemaal op rolletjes verloopt, het leren, aanpassen, pakketten kiezen, interesse, studiezin.
Ik had geen baan in die richting maar in eigen kleine kringetje probeerde ik wel eens duidelijk te maken dat doorleren niet altijd vanzelfsprekend moet zijn, dat je een kind beter eens met andere ogen zou bekijken.
Waar liggen de interesses, is het niet te gemakzuchtig, kan het het verlies van eventuele vriend-(-innen) opbrengen die naar een makkelijker school gaan en baantjes(zakgeld!) hebben? Wil het kind eigenlijk wel naar een VWO? Heeft het een doel?
Ik had een handig voorbeeld bij de hand: mezelf.
Heel aardige rapporten dus hup! naar de brugklas, aansluitend HBS (HAVO)  of VWO.
De afknapper was behoorlijk: ik bleef zitten  met een ongunstig advies.  Reden? Te weinig studiezin,  verwaarlozing van huiswerk,  ik miste de drive. Desinteresse telde zwaar.
Dat onthield ik,  zonder ondersteunende eigenschappen heb je niets aan goede rapporten.
Ook in eigen gezin en bij de families zagen we het, andere schoolkeuze was misschien beter geweest.
Een goede leerling op een té makkelijke school is zonde maar opklimmen kan meestal alsnog.
Teruggaan wordt als een afgang gezien, doodjammer.
Hoe het mij verging? Ik stroomde 2e klas MULO in en slaagde, kreeg een gratis typecursus en vond een leuk kantoorbaantje, nog zonder Internet, dat zat er aan te komen.  Dat werk, daar hield ik van. En nog meer toen ik een betere baan vond, met iets meer zeggenschap.
Moe bleef het jammer vinden maar ik had het getroffen!
Daar ging het toch om, om míjn leven?
==

 

taal

Doodloof

Dat ben ik.
Of het origineel Zaans is weet ik niet. Mijn vader kwam uit de omgeving van De Rijp en bracht andere woorden mee, zodoende weet ik het verschil niet altijd.  Wanneer zijn familie op bezoek kwam luisterde ik met extra aandacht. Ze spraken anders, soms leek het op Purmerends, dan weer ’n beetje op West-Fries. Er was nog familie uit Amsterdam, Overijssel, spannend.
– In de brugklas hoorde je ook verschillen. Ondanks de verplicht ‘nette’ uitspraak herkende je de kinderen uit ’t Kalf, Purmerend en meer van die kant en hoewel ik bleef zitten had ik toch maar mooi een boel talen geleerd.

In Brabant was het eender, ik kwam terecht op een streek-mulo met meisje uit Cuijk en het superplatsprekende achterland, maar ook uit Mook, Middelaar, beide Limburgse plaatsen. Daar we aan de Maas en vlakbij toeristisch Mook en Groesbeek woonden leerden we automatisch (veel) Duits, Nijmeegs, schippers- en andere talen.

En weet je wat? Naast het mulo-diploma had ik er niets aan.
In niet één baantje kon ik geuren met mijn talenkennis. Ook de kinderen kon ik niet helpen bij hun huiswerk, ze hadden niets aan plat-Holands, -Brabant, -Limburgs, grensDuits of fabeltjesFrans.
Het verdroot me zeer.
Nog steeds maar kepper mee lere leve.
=

Tien Geboden

Jaloezie

tiende gebod
Hier past deemoed.
Ondanks pastoor, nonnen en katholieke opvoeding kende ik wel degelijk naijver.
Kind zijnde had ik graag het mooiere speelgoed van andere kinderen willen pikken als ik gedurfd had.
Als tiener voelde ik peilloze afgunst wanneer een rotmeid mijn afgod binnen hengelde.
Ook in mijn baantje had ik liever het mooiere werk van een collega.
En meer van dat.
Helaas, ergens om vragen of moeite voor doen, dat lag me niet zo, gezwijmel in jaloezie verdiende ik dan ook niet.
Zo sukkelde ik naar mijn twintigste tot de juiste man zich aandiende. Nu had ik het voor elkaar; de jongen die ik wilde en veel van me hield tot in de eeuwigheid amen.
Nu hoefde ik nooit meer jaloers te zijn, wat een rust.
Een volwassen gedachte, vond ik zelf 😉