Tijdverdrijf.


Wanneer de ochtend naadloos overgaat in middag en de avond onmerkbaar verglijdt in de nacht lijken dagen eindeloos.
Het lot van veel thuiszittenden die deze uren moeten zien door te komen.
Hobby, Internet, kranten en tijdschriften zijn daartoe het meest voor de hand liggend evenals radio en televisie.
Goede zaak maar er is nog steeds een onovertroffen middel dat al heel lang dienst doet:
een boek.
Een doodgewoon boek, in papier- of in E-vorm.
Met beide uitgaven mag je rekenen op het doorbreken van verveling. Welbeschouwd lijkt het boek hiervoor te zijn uitgevonden.
Als lering of vermaak, dat maakt niet uit.
Denk je eens in, ’s morgens verdiept te zijn in geschiedenis, ’s middag overgaand op een vlammend liefdesverhaal en de avond doorbrengend onder hoogspanning met terroristen, moordenaars en andere aangename gruwelen.
Kan iemand zich een betere dagvulling wensen?
Bijkomend voordeel is dat je ontbijt en lunch al lezend kan nuttigen, dat schiet op. Tijdens het avondeten bouwt het leesgenot zich zelfs nog verder op. Te weten dat het boek opengeslagen klaarligt en de cliffhanger popelt om te worden ontrafeld, vermeerdert de verwachting.

Mocht er geen boek naar tevredenheid voorhanden zijn is er nog een andere mogelijkheid: schrijf er zelf een.
Er zijn legio hulpmiddelen. Google op ‘schrijven’ en er verschijnen voldoende hits met aanwijzingen.
De kans om een goed/groot/veelgelezen/geliefd/rijk/beroemd auteur te worden is gering maar de tijd verstrijkt zonder verveling.
Al de fantasie die moet verwoord, herinneringen die moeten worden geschreven.
Je zou tijd te kort komen.
==

Schrijven, maar geen boek

Een hobby.
Hoe andere amateurs het hadden weet ik niet, ik moest het echt leren.
Met gemak pende ik bladzijdes vol maar goed schrijfwerk was het allerminst.
Onwaarschijnlijke verzinsels, een soort mini-autobiografie over mijn gedachten, ik genoot van de woorden, leesbaar of niet.
Hoe langer de verhalen werden, hoe sneller ik ze wilde beëindigen door een ‘leuk’  plot te schrijven. Ze leken allemaal op een hardloopwedstrijd. Bovendien had ik intussen een typemachine, dat ging lekker vlug.
Bij het ouder worden en meer lezende ging het iets beter en daarmee beging ik een nieuwe fout: mooi schrijven.
Zogenaamd poëtische zinswendigen (op sinterklaasrijmiveau), ‘literaire’ constructies die van warrigheid aan elkaar hingen, onnodige interessante woorden.
Een schrijfclub wees me een beter pad. Daar leerde ik de betekenis van goede aanwijzingen en warempel, ik schopte het tot plaatsing in een paar verhalenbundels.
De aanhouder wint, heet het.

Niet helemaal, mijn echte droom kon ik niet waarmaken.
Een boek schrijven, een heel boek met een goed plot en een mooi verhaal eromheen. Een serieuze roman, het liefst fictief, met eigen inzichten erin verwerkt over allerlei onderwerpen.
Een gewaardeerde auteur te worden, bij een gerenommeerde uitgeverij. Het visioen alleen al was de wens waard.
Natuurlijk probeerde ik het. Gaf losse verhaaltjes alvast dezelfde hoofdpersoon, maakte schema’s, liet hoofdpersonen opdoemen, onlangs vond ik een schrift terug met een begin van maar liefst zes hoofdstukken.
Uiteindelijk heb ik het toe- en opgegeven: dit kan ik niet. Liever lees ik andermans boeken.
Bovendien zijn er andere kwaliteiten, ik kan heel goed aardappelen schillen en friet snijden.
Dat werd zeer gewaardeerd in het gezin, meer dan een gedroomd boek.