‘ze’

Er was een dringend telefoontje.
V. ligt op IC, maag leeggepompt na suïcidepoging, nu buiten levensgevaar. Misschien kun je hem opbeuren?

Verdrietig staarde ze naar het hoopje ellende tegenover haar.
Het hoopje staarde terug. Hij zag haar niet, hij bevond zich in een andere wereld.
Welke dat was wist ze niet, ze had geen idee van zijn werkelijkheid.
Hun werelden liepen parallel zonder enig vindbaar raakpunt.
Wat ze wel kon zien was dat hij ongelukkig was. Bang en hypergespannen. Theatrale films over split personalities had ze niet nodig om te zien dat de werkelijkheid veel complexer was;  geen sprake van figuren die elkaar afwisselend manifesteerden. Eerder leek het een eigenaardige maar zeer reëel aanvoelende angst voor vage duistere machten die hij hoogstens kon omschrijven als ‘ze’;  àls hij al iets zei want kenmerkend voor zijn stoornis scheen zijn zwijgzaamheid. Voelde hij zich bedreigd bij loslippigheid? Ze kon er slechts naar gissen.
Op hem in pratend probeerde ze antwoorden te krijgen, haalde herinneringen op: weet je nog dat we graag zwommen? Als eerste de Maas over? Die grote motor? Dat liedje…. ze viel stil.
Hij keek haar aan met lege ogen. Hij was er niet.
Op haar vraag naar het waarom werd hij –eventjes- spraakzaam.
‘Ik wou niet dood, ik wou ze vóór zijn.’ Getroffen door zijn angst die onbenoembaar groot moest zijn pakte ze zijn hand. Schielijk trok hij hem terug.
‘Wie zijn die ‘ze’?
Hij haalde zijn schouders op en zei niets meer.
En bleef zwijgen tot hij bij een volgende poging de dood vond die hij niet wilde maar als enige veilige plek zag.

Waar gebeurde het, vroeg ze zich af.
Wanneer ging het fout?
Was hij als kind al zo, hadden ze het gemist?
En tenslotte
hoe ontzettend bang moet iemand zijn dat hij een nietgewilde dood in vlucht?
De dood als toevluchtsoord?
=

Onderzeeërs

Het idee van die boten deed me als kind al gruwen.

Nergens heen te kunnen, de eenzaamheid, geen hulp te verwachten. Hoeveel paniek en angst kan een mens verdragen? Dat zullen we nooit weten.
Hier dacht ik aan bij het lezen over de verongelukte Argentijnse duikboot
Een gebeurtenis, onvoorstelbaar afschuwelijk.

In oude avonturenromans lazen we akelige dingen. Duikersklokken waarmee geknoeid was, zeemonsters die zuurstofkabels doorbeten, raketten die uit koers raakten, tanks die uitbrandden.
Het is de gedachte aan het opgesloten zitten en niet kunnen vluchten, wat zo beangstigend is. Claustrofobie in megaformaat.

In werkelijkheid zijn er echte mensen gestikt in echte boten en echte tanks.
Je kunt je niet voorstellen dat iemand in een dergelijk voertuig durft te stappen. Toen een van zus’ vrijers een zeeman bleek te zijn die in in een onderzeeboot had gevaren duurde het even voor ik hem accepteerde. Zoiets engs, iemand die zich willens en wetens liet opsluiten, dat moest een rare man zijn.
Hij lachte er om. ‘Het gaat meestal goed, ik ben er toch nog?’
Plagerij waar ik nooit om kon lachen.

‘Jammer dan’ Een tranentrekker.

Zwijgend staat ze naast het bed.
Met een klinisch oog kijkt ze naar zijn hoofd dat onrustig heen en weer rolt. Het vertrokken gezicht met fijndruppelig zweet toont angst.
Medelijden voelt ze niet, ze biedt de stervende geen enkele steun ondanks zijn moeizame overgang.
Ze was nooit wraakgierig. Nu heeft ze leedvermaak.
-Het is jouw beurt, denkt ze, nu leer je wat lijden is.
Onaangedaan houdt ze haar ogen gericht op de krampende vingers die houvast zoeken aan het leven.
– Ha, sta jij ook eens met lege handen meneer de directeur, wat een vreemde ervaring moet dat zijn.

Ze denkt aan de jaren waarin ze alleen stond met haar verdriet om Lenny, hun gehandicapte dochtertje.
Zo graag had ze het kind thuis gehouden, zelf verzorgd en groot gebracht.
Hij wilde er niet van weten. Toen het kind zes jaar was had hij het naar een tehuis gestuurd. ‘Het is echt beter voor haar, daar heb je zelf geen tijd voor…
‘Met goede hulp gaat het best, ze kan naar een aangepaste school, Lenny is niet onwijs….’
Ze verloor.  Haar boosheid en dreigement weg te lopen werden weggewuifd -‘hoe onderhoud je dan het kind?’- het gemis vergoed met beloftes van bezoek en vakanties.
Het ergste was de zalvende toon: ‘Zie je niet dat we geen tijd hebben? Recepties, diners, directiebijeenkomsten, personeelsavonden, noem maar op, hoe had je dat willen doen? Ik gun je een beter leven, geloof me.’
Hij was zijn bedrijf, zij, als knappe vrouw, het bewijs van zijn succes.
Geen liefde, geen begrip, geen begeerte anders dan een snelnummertje, zijn idee van een geslaagd huwelijk. Daar paste geen lastig kind in.
De beloftes werden niet ingelost.

Ze staart naar haar stervende echtgenoot.
‘Waarom, vraagt ze, zou ik het niet gered hebben in mijn eentje? Nu is het te laat, jij gaat straks dood en Lina is vergroeid met met het tehuis. Ik ben alleen.’
Hij zoekt haar. ‘Ik…ik wilde je niet kwetsen…’
Ach, alsnog spijt, toch geroerd pakt ze een van zijn handen die nu heel stil liggen. ‘Sst, het is goed.’
Zijn adem vertraagt. ‘..maar een onwijs kind, bij de gasten…’  Hij rilt. .
Ze laat zijn hand vallen, neemt een kussen.  Zijn ogen gaan nog eenmaal wijd open voordat ze hem bedekt.
‘Jammer dan.’

© Bertie