Een zomerdag

Luierend op het gazon. Muziekje, reader, spelletje, ik nam het ervan.
Ergens jengelde een kind, een vrouw riep. ‘Neenee, niet naar de vijver, op het gras blijven.’
Ik soesde verder.
Het kind jengelde weer, luider deze keer. De vrouw riep opnieuw. ‘Op het gras, zei ik. Moet ik je vastbinden?’
Ik zat rechtop van ergernis, waarom dat kind niet een bootje gegeven of een opblaasbandje. Warm als het was.
Enfin.
Bijna weggedommeld hoorde ik het kind opnieuw, kort, me toch weer uit mijn ritme halend.
Het werd stil.
Beetje vreemd zonder gejengel. Ondanks de irritatie vond ik het zo, ja, zo gewoon, het hoorde bij een kind en de mamma.
Een nieuw geluid.
Geschrokken sprong ik op, een vrouw schreeuwde hard.
Mensen riepen, snelle voetstappen, de sirene van een ambulance.
Het kind dat niet meer jengelde.
De geluiden ebden weg, die van de ambulance ook.
Ik ging naar binnen.
==

Mineur.


In’t stille dal, in’t duist’re dal

waar nooit een bloempje wil groeien…
Je ziet het, een zwarte blik heeft me in zijn greep.
Er is geen reden, enkele kleine dingetjes die per stuk geen gedachte waard zijn.
Droge piephoest die niet overgaat, fleumucil die matig werkt, klimop die te hard groeit, hordeur die later komt dan gehoopt.
… daar borrelt een dreigende waterval
en waren geesten overal…
Er was een duizeling waardoor ik dacht aan schedelaandoeningen, te late ambulance, een droevig sterfbed met zoons die niet wenen, goeie god, wat wordt ik bezocht.
….om ieder lachje te besnoeien
ook’t kleinste….
Vanmiddag met buurvrouw wezen winkelen in de hoop op te fleuren.
Het lukte. Bijna. Op de terugweg kregen we een hagelbui, onaards, we keken bezorgd naar het autodak, vóélden reeds de inslag, scheuren in het metaal en wijzelf aan flarden.
…en met de duistere dingen te stoeien
’t chagrijnste...
En toen, bijna thuis, droogde het op.
Nu mijn zwarte blik nog weg zien te werken.
==

Bloed


Een ongelukje,  bloed, net als je aardappelen schilt.
Of brood snijdt
Of witte planken zaagt.
Je kunt natuurlijk een ambulance bellen die je afvoert naar Chirurgie, eventueel de pastoor bellen voor geestelijk bijstand.
Zelf zou ik dat niet doen.
Betadine – spray – pleister is meestal voldoende.
Of, wat we vroeger deden, een papiertje of vloeitje natlikken en erop plakken. Mijn moeder was zuinig, pleisters werden bewaard voor iets heel ergs, een sterfgeval of zo.
In een boek las ik over een oude Ierse vrouw die spinnenwebben kweekte om ze te gebruiken voor wondjes, het zou het bloeden doen stoppen. Had ik nooit van gehoord.
Er zijn veel manieren voor, getuige onderstaande lijst. Ook spinrag, inderdaad.
In deze link staan nog meer middelen die als bloedstelpend bekend staan.
Interessant.
Je zou ze allemaal willen uitproberen, waar is mijn mes??

man – stoel

Een man zet zich
Hij is zwaar en past met moeite tussen de armleuningen.
De stoel zucht.
De man hoort het niet, gewend als hij is aan geluiden. Zijn lichaam zit er vol mee, het borrelt, kleddert, drupt en kraakt.
De stoel heeft genoeg van de overlast, slijtage plaagt hem en hij speurt naar wraak.
Hij zoekt en vindt een loszittende spijker, wurmt hem rechtop onder de zitting en wacht.
De man komt binnen, de stoel grijnst een boosaardig gna-gna-gna.

Er staat een ambulance.
De broeders komen naar buiten , zij dragen een stoel waarop een dikke man zit. Er stroomt bloed langs de poten, de man huilt en vloekt.
De stoel ook maar zijn ergernis wordt niet gehoord.
Wie luistert er nu naar een stoel.

Forever young

Droevige shortstory

Een jongetje speelde bij de vijver,  hij was vijf en vergat vaak mamma’s verbod.
Achter zijn bal aan rennend liep hij het water in.
Hij spartelde met armpjes en beentjes, het hielp hem niet.
Wegstervend gespetter alarmeerde een voorbijganger.
Politie verscheen,  ambulance en zijn huilende moeder, allen haastten zich naar het ziekenhuis.
De bal was kwijt, het jongetje  bracht het er levend af.
Maar werd nooit helemaal droog achter zijn oren.