Plant, alleenstaand.

En weer hoort hij er niet bij.
Elk jaar staat hij rechtop tussen de anderen, fier, klaar om de wereld van meel en maïzena te voorzien, de kippen en koeien van voedsel en van nog veel meer
Maar ach, men ziet hem over het hoofd.
Wat hij ook zwiept met zijn bladeren, hoe hij ook roept ‘ik ben wel groen maar ben ook rijp‘ met luide stem die zachter en zachter wordt naar de wegrijdende machine, het baat hem niet.
Dan is het veld leeg.
Hij overziet de stoppels. Niet in staat zich klein te maken krimpt hij figuurlijk ineen en voelt zich belazerd. Voor hem geen machtige hakselaar, hij wordt omgehaald met een simpele handbeweging en aan de kant gegooid. Kan hij opnieuw beginnen met groot te groeien. Vol verwachting naar de toekomst uitzien.  Hopend op een mooie bestemming.
En misschien wéér voor niets. Reïncarnatie tegen wil en dank.
Hoeveel levens kan een maïsplant aan?

Advertenties

Tranentrekker

Mam redt het niet.


‘Màààm…’
‘Jaja, schreeuw niet zo…’ Haastig schenkt ze haar puberdochter een glas cola in. ‘Alsjeblieft!’
Ze keert zich weer naar de jongen. ‘Kijk, deze letter achter deze, en dan..’
‘Màààm,’  snerpt het.
Ze kijkt op, ziet het meisjesgezicht, uitdagend. Feilloos wetend wat haar moeders zwakte is. ‘Ik wil de echte cocacola…’
De  jongen legt onverstoorbaar de ene letter na de andere.  Gewend aan zijn tobberige mamma.
‘Màààm..’
Ze  zucht.  Geen echtgenoot, geen geld.
Slingerend tussen plichtsgevoel, onkunde en liefde probeert ze  wat van de opvoeding te maken.
Tot ze breekt.

‘Wie bent U?’ vraagt ze de jongelui die aan haar bed staan.
‘Mamma…’  Het meisje huilt. De jongen staart zwijgend.