Nacht (herzien)

Bangelijk luister ik naar de wind,  in stormen als deze kan van alles gebeuren. Niet hier, mompel ik mezelf gerust, die ritsel is een loshangende tak, het schijnsel een manestraal en…..
Oh ja?
Verstijfd staar ik in onbekende ogen.
‘Had je niet gedacht hè?
‘Ga weg,’ piep ik.
Zijn adem blaast vreemde geuren en beroert  mijn arm. Panisch stomp ik in het wilde weg, en weer.
Hij verdwijnt, ik blijf achter, bevend.

Het tocht, stond het raam
open?
Bibberig sta ik op en sluit het, veeg wat zand weg… zand?
Dan val ik flauw.
=

Dag winter

De oude winter trok het niet meer.
Met moeite blies hij nog éénmaal  de vrieskoude noordooster aan.  Hijgend verspreidde hij de wind in stotende vlagen over het land. De vorst kwam niet verder dan een graad of negen, een enkele tien.
Sneeuwwolken seinden hem in: kannie nog? Hij knikte.
En waaierde ze traag her en der. Het waren de allerlichtste, grote opslag verwees hij naar het noorden.
Hij rustte even. De witte schoonheid gaf hem een extra vleug energie, net genoeg om kleine verstuivingen te veroorzaken.
Hij overzag zijn werk. Het was goed zo, vond hij. En genoeg.
Zachtjes blies hij zijn laatste adem.