Over tinnitus

informatie
Vanmorgen rond zes uur werd ik wakker .

Met twee of drie regels van een operetteliedje in mijn hoofd, ik weet niet precies van welke maar het is iets bekends.
Ik hoor het nu (12.15 uur) nog, onvermoeibaar rijgen de regels zich aaneen tot een geluidsketting, de enige afwisseling is dat het soms geneuried wordt, af en toe gezongen, dan weer gespeeld door onduidelijke instrumenten.
Het is een mazzeltje. Ik hoor ook wel eens liedjes van een ander gehalte, Hollandse vreselijkheden bijvoorbeeld. Dat is vervelend hoor, een volledig couplet ‘Heb je even voor mij’ doorlopend te moeten aanhoren, daar word je wel eens beroerd van.  Net als van zware mannenkoren, evenmin opwekkend.
Stationair draaiende trucks zijn ook geen pretje maar dat duurt nooit lang, na een paar uur houden ze op.
Een druk mussengetjilp is aangenamer. Vermoeiend maar je kunt niet alles hebben. In ieder geval beter dan internetgetwitter, dat is pas echt ontmoedigend.
Oplossingen zijn er niet, alleen lapmiddelen. Radio harder zetten, afleiding zoeken, gesprekken aangaan, hardop zingen met een betere song. Therapieën zijn grotendeels gericht op acceptatie.
Het is niet anders.
Je moet wel.
Maar af en toe word ik er knettergek van.

Advertenties

Het zal zo wel motte..

… was het gevleugelde zinnetje van een bejaarde vrouw voor wie ik werkte.
Ze was aardig en kien en had gevoel voor humor.
Om politiek, belasting en gemeentelijk besluiten echter kon ze niet altijd lachen. Die zaken vond ze lastig te begrijpen zoals de meesten van ons.
Bij het lezen van de krant vroeg ze vaak: ‘Begrijp je dat nou Bets?’ (zo noemde ze me).  Ze las alles, niet alleen de koppen maar de artikelen waren haar niet altijd duidelijk genoeg.
‘Beatrix gaat met pensioen, waar heeft zij die grote uitkering voor nodig? Ze hoeft toch niet meer zo deftig op te treden?’
Dat wist ik ook niet.
‘Heb je gezien hoeveel stallen er weer gebouwd worden? En de stank moet verminderen!’ Tja…
‘Bets, de gehandicapte kindjes van ons dorp krijgen gratis pony-rijles. Waarom? Die ouders zijn niks armer dan wij.’ Ook daar had ik geen antwoord op, ik zat met dezelfde vragen als zij.
Na enig nadenken zei ze het, ‘het zal wel zo motte.’
Ze bedoelde het niet grappig, het was haar standaardgezegde. Accepteren in het leven is nodig, zij deed het op deze manier. Het had iets gelatens.
Het klonk heel wat sympathieker dan het hatelijke chagrijn van sommig kankerpitten, excusez le mot.
Op een dag was ze geëmotioneerder dan anders: ‘Buurman wil dood. Snap je dat nou?’
Ja, maar dat ging ik niet uitleggen. De man was oud en eenzaam en op.
Ze zuchtte, deze keer echt aangeslagen. Ze begreep zijn wens niet.
‘Het zal zo wel motte.’