Schrijven, maar geen boek

Een hobby.
Hoe andere amateurs het hadden weet ik niet, ik moest het echt leren.
Met gemak pende ik bladzijdes vol maar goed schrijfwerk was het allerminst.
Onwaarschijnlijke verzinsels, een soort mini-autobiografie over mijn gedachten, ik genoot van de woorden, leesbaar of niet.
Hoe langer de verhalen werden, hoe sneller ik ze wilde beëindigen door een ‘leuk’  plot te schrijven. Ze leken allemaal op een hardloopwedstrijd. Bovendien had ik intussen een typemachine, dat ging lekker vlug.
Bij het ouder worden en meer lezende ging het iets beter en daarmee beging ik een nieuwe fout: mooi schrijven.
Zogenaamd poëtische zinswendigen (op sinterklaasrijmiveau), ‘literaire’ constructies die van warrigheid aan elkaar hingen, onnodige interessante woorden.
Een schrijfclub wees me een beter pad. Daar leerde ik de betekenis van goede aanwijzingen en warempel, ik schopte het tot plaatsing in een paar verhalenbundels.
De aanhouder wint, heet het.

Niet helemaal, mijn echte droom kon ik niet waarmaken.
Een boek schrijven, een heel boek met een goed plot en een mooi verhaal eromheen. Een serieuze roman, het liefst fictief, met eigen inzichten erin verwerkt over allerlei onderwerpen.
Een gewaardeerde auteur te worden, bij een gerenommeerde uitgeverij. Het visioen alleen al was de wens waard.
Natuurlijk probeerde ik het. Gaf losse verhaaltjes alvast dezelfde hoofdpersoon, maakte schema’s, liet hoofdpersonen opdoemen, onlangs vond ik een schrift terug met een begin van maar liefst zes hoofdstukken.
Uiteindelijk heb ik het toe- en opgegeven: dit kan ik niet. Liever lees ik andermans boeken.
Bovendien zijn er andere kwaliteiten, ik kan heel goed aardappelen schillen en friet snijden.
Dat werd zeer gewaardeerd in het gezin, meer dan een gedroomd boek.

Advertenties

Aangebrand

Gebakken aardappelen.
Geroosterd brood en tosti’s op de kachelplaat.
Gebakken uien met tomaten.
Vlees, alle soorten.
Stuk voor stuk zo lekker dat we eventuele verbrande korstjes voor lief namen, sterker, we aten ze er met graagte bij.
Over het algemeen kookte mijn moeder heel smakelijk maar in de drukte kon ze het niet altijd voorkomen: te hard gebakken of aangebrand.
Indertijd werd er niets weggegooid, ‘een extra korstje is best lekker’, heette het.
Alleen als het te erg was sneed moeder de zwartigheid er af en zette de rest op tafel.  En dat was pas ècht smerig, veel liever aten we de korsten zelf dan vlees of gekookte aardappelen met dat doordringende rooksmaakje.
Later hoor je dat deze perikelen in veel gezinnen voorkwamen, ook dat kinderen er geen problemen mee hadden en lustig door aten van hun geblakerde hap.

Bij het ouder worden -en moeder het kalmer aan kon doen- verbeterden de kookmanieren, de smaak ging automatisch daarin mee.
Je leerde dat het hoogst ongezond was.
Het is algemeen bekend maar wil iemand het nog eens lezen: zwart-aangebrand-voedsel-is-ongezond

Nu vraag ik me wel eens af of het geen gevolgen heeft, of er ergens in ons lijf niet een giftig stofje zit te wachten om los te gaan. Zich misschien al verdeeld heeft in enkele organen. Bij elk pijntje…. enfin.
Dan houd ik me de leeftijden voor van (groot-)ouders, ooms en tantes  die veelal redelijk oud geworden zijn.
Dat idee smaakt beter.
==

Toen een huisvrouw het nog druk had

‘Opzijopzijopzij…’
Dit wordt niet hardop gezegd maar de boodschap komt over: zij heeft haast.
Zodra ze de supermarktdeur binnenvalt vliegen aanwezige klanten naar de zijpaden.
Sommige nemen geen risico en sluiten zich aan bij de manager die zich verschanst achter de breedste van de vakkenvullers.
Men kent haar.
In haar huis gaat het op eendere wijze.
Als een wervelstorm sleurt ze de gezinsleden uit bed, drukt hen het ontbijt door de keel en duwt ze de deur uit.
Opruimende werpt ze af en toe een hap brood naar binnen en voert kat, cavia, parkiet en hond.
Ziezo, denkt ze na het volgooien van de vaatwasser, dat is gebeurd. Wat moet er nog meer gebeuren; stofzuigen, dat is wel nodig of neem ik eerst de ramen? En dat boek moet ook nog uit, als ik het op de aanrecht leg kan ik tegelijkertijd lezen en de aardappelen schillen.
Het lukt.  Het kost wat pleisters maar het gaat heel goed; weet je wat, denkt ze, ik snij meteen de andijvie. Het grote mes zoeken, de plank, de krop er op. Onderwijl leest ze met één oog  verder.
Oei, au…  trillend reikt ze naar de handdoek om nieuw bloed te stelpen. Verdorie, was daar bijna het boek bevlekt,  het is nog wel van de bibliotheek.
Voorzichtig kijkt ze onder de handdoek. En schrikt van de jaap in haar linkerduim, nog net niet tot het bot.
Vlug onder koud water,  tjess, pijnlijk.
Met veel gehannes maakt ze een noodverband van zakdoeken en pleisters.
Hè, ze is er misselijk van, draaierig hangt ze voorover. De kat kijkt stoicijns naar haar, de hond jankt meelevend maar niet verbaasd.
Haar verstand krijgt de overhand. Eindelijk.
Ze kruipt op de bank en rust, al lezende,  tot het kloppen in de duim afneemt.
Dan gaat ze rechtop zitten, gaapt en rekt, controleert het noodverband en ijlt  naar de stofzuiger, pakt onderweg de plumeau,  neemt de rinkelende telefoon op……

Dit stukje is ongeveer acht jaar oud, door een haastklusje vanmorgen dacht ik eraan terug. Het was niet eens zo erg overdreven.

Huishouden. Een vak apart.

Een niet al te pienter meisje trouwde. Daar ze niets wist van huishouden bezocht ze dagelijks haar moeder voor advies.
Dat was hard nodig.
Haar eerste portie aardappelen was niet te eten.
-Droog stomen, zei moeder, dan worden ze smakelijker.
Het meisje zette ’n pannetje water op, wachtte tot het flink dampte en deed  er de aardappelen in. Het stoomde en stoomde, het water verdampte en het stonk vreselijk. Terwijl haar man de keuken bluste rende ze huilend naar haar moeder.
–Weet je wat, zei die, hou jij je maar bezig met de was dan kom ik wel voor jullie koken.
Ook deze raad werd nauwgezet opgevolgd.
Het niet al te pientere meisje was wekenlang doende met de was; ze droogde en streek en waste tot alle kleren versleten waren en zij en haar man in lompen gehuld gingen.
Weer greep moeder in.
–Ga je huis maar poetsen, raadde ze, en doe tussendoor een  paar boodschappen.
Het meisje ging onmiddellijk aan de slag en poetste de kamer, de keuken, de kelder en alle andere vertrekken en daarna de buitenkant en de schoorsteen en de dakpannen.  Af en toe liet ze haar emmer zeepsop in de steek om naar de buurtsuper te gaan. Dan kocht ze zes liter Ajax en twaalf dweilen, of zeventien sponzen, zich verbazend over de snelle sleet.
Het werd werkelijk een onhoudbare toestand. De hele straat liep uit en keek hoe ze de regengoten sopte en de voorgevel stofzuigde en de dorpstherapeut vermoedde een onverwerkte relatie met de stofdoekenmand, kortom, het werd een bespottelijke vertoning tot de burgemeester een samenscholingsverbod uitvaardigde en de moeder opriep.
Die liet, ten einde raad, het huwelijk ontbinden en stuurde haar dochter naar ’n klooster.
En daar zit ze nu nog.
Echt waar.

Herfststorm in drie hoofdstukken. Slot.

Toen grepen we in.
Een ramp overleven en met een aftandse haas afgescheept worden? Nee…
We keken  elkaar aan en begrepen.
Brachten het waterkanon in stelling en schoten Willem met al zijn dieren de fietsenstalling uit, de donkerte in, Sjaak en de leeuw joegen we er achteraan. Haas en kalkoen stopten we in een zak, daar zou de kookschool wel weg mee weten.
De scholieren namen de buit in hun armen, vertroetelden en voerden wortels en maïs. ‘Eerst bijvoeren,’ zeiden ze, ‘dan zijn ze met kerstmis eetbaar.’ Daar hadden beide dieren vrede mee.
Dankbaar waren de leerlingen ook, ze hadden niet veel op met loslopend vee en schreeuwende broers, ze bakten als dank verse aardappelen met champignons,  maakten verantwoorde mayonaise  met tijm en peterselie, ze plukten zelfs tomaten en sla, en dat midden in de nacht.
Gretig doken we op de maaltijd, hongerig als we waren door de stormachtige gebeurtenissen.
Na de koffie bekeken we ons huis waar de ravage ons zo afstootte dat we meteen om een voordelige woning mailden die onmiddellijk werd geleverd.
We zetten hem op een mooie plek.
In de opkomende zon en een schoongewaaide lucht rustten we uit op ons spiksplinternieuwe terras met uitzicht op de populinde waarvan de takken al aardig uitliepen.
We waren moe. Een nacht als deze, besloten we, willen we nooit meer meemaken.
En sliepen in.

Televisievoer

The great Britsh Bake Off
Koken met Van Boven
Over de kook
TopChef
Oorlog in de keuken
Smaken verschillen
MasterChef
MasterChef (herhaling)
MasterChef vervolg

Dit spotte ik gisteren in de gids. Van één dag nog maar.
Ik had niet gedacht dat deze programmamode zolang zou voortduren, maken de kijkers een hongerige indruk?
Al ben ik een liefhebber van eten, toch zijn al die kokkerellerarijtjes niet aan mij besteed hoewel ik de British Bake Off aardig vind.
Het zijn er teveel.
Ik voel me al overladen bij het bladeren. Vorige week werd ik zelfs ’n beetje misselijk toen ik de gids alleen nog maar uit de brievenbus haalde, nou vraag ik je.
Ik hoop maar dat het veilig is, dat er geen allergenen worden gebruikt waar ik gevoelig voor ben. Of teveel mosterd. Of soeppakjes. Of chocolademelk. Allemaal zaken die me narigheid brengen.
Daarom denk ik er over de redactie te verzoeken de kookprogramma’s niet te vermelden, althans niet in het nummer dat voor mij bestemd is.
Maar ik twijfel.
Wat als er een recept tussen zit met aardappelen? Gebakken/gefrituurd/gepureerd/gegratineerd? En ik zou dat missen?
Dat zou ik mezelf nooit vergeven.

EK zonder Oranje


Dan juichen we maar voor België, lees je her en der.

Hm. Tja. Wat zal ik er van zeggen. Leeuw of Duivel, ze boeien me beiden niet al ben ik zelf een seniorinne-leeuw.
Trouwens, we hebben nòg een buurland, ene mannschaft uit Duitsland. Daar hoor je niemand over, zeker nog te pijnlijk na WOII. (Het blijft  leven, voor sommigen).
Voetbal en sport in het algemeen is acceptabel als spelletje onder elkaar, op een familiebijeenkomst bijvoorbeeld.  Ja, ik geef het toe, de sportwereld heeft niets aan me al is dat spijtig voor de liefhebbers.
Van de oranjegekte genoot ik het meest van de kaas, worst en, bij warm weer, van de pils.
Dit overdenkende zal ik toch maar een paar extra aardappelen in huis halen.
Voor de Vlaamse overwinningsfrieten. Leef ik toch ’n beetje mee.