Gallige start

Opstaan met verkeerd been,  bons!   Ik bind  het aan, breekt de riem.
Goedemorgen.
In de badkamer draai ik de verkeerde kraan open. Met de rechterhaak smeer ik brandzalf op de linkerhand.
De hond rent op me af, ‘Dag beestje, heb je honger?’ Hij springt schouderhoog voor een stevige lik,  wat? donker? tssss,  hij heeft het goede oog geraakt en het glazen ziet niets, halleluja.
Nu ben ik pas goed wakker. Tastend vind ik de kraan en spoel. Ik heb weer licht.
Dan…   voordeur wordt ingeslagen,  brandweer grijpt me, paniek, ik word naar buiten gezwierd,  schreeuw ‘watsandehand’. Iemand wijst naar de bovenramen.
Staan de buren in brand en ik heb niks gehoord, batterijen zijn leeg.

Kunstbeen, haak, glasoog en hoortoestel  gooi ik resoluut in de vlammen.
Ik heb er alleen maar last van.

Hoe zwart mag zwarte humor zijn?

Een heikele kwestie.

Ik bedoel geen onfrisse seksmoppen, ik heb het over de dood.

In een vroegere schrijfclub werd zwarte humor niet op prijs gesteld, het werd door een groepje als ‘te hard’  ervaren. Spot over de dood was not done. Dat het een seniorenclub was zal misschien meegespeeld hebben, je zou maar met een halfversleten hart rondlopen en harde grappen over een kerkhof moeten lezen. De andere helft trekt dat beslist niet.
Een moeilijke zaak is ook de kleur van deze humor. Macaber, sinister, luguber, dat zijn, in dit verband, de associaties met zwart.
Is een liefhebber dan automatisch een gestoorde griezel? Er zijn mensen die dat aannemen, in hun optiek is lachen om de dood gelijk aan het oproepen ervan, op zijn minst uitdagend. Bij dat laatste denk ik eerder aan sommige regeringsleiders maar dat is een andere zaak.
Uiteindelijk weet ik nog steeds niet hoe zwart zwarte humor mag zijn.
Pekzwart, zwarter – zwartst, lichtzwart, doorschijnend zwart, zwart randje,  zweempje zwart,
of zal ik gewoon mijn eigen gang gaan met het gevaar te worden opgesloten?
In dat geval hoop ik op bezoek. Met zwarte drop in plaats van een fruitmand.