Fris dagje

Het lag op de grond en was vloeibaar.
Inderdaad, dat was ik.
Minstens eenmaal per jaar overkomt het me bij een warme dag, heb ik dat al verteld?
Dan smelt ik.
Vanmorgen liep ik naar het vijvertje om het verhitte hoofd te drenken. Ik haalde het niet, net voor de rand zeeg ik ineen en verwaterde.
Toen bleef ik maar liggen, te warm om me te heropbouwen.
Het was een mooie plek. In de schaduw van een hosta, tussen kleefkruid en een druivenrank, rondom wuifden of woven een paar irissen.
De vogels die in de vijver zwommen keken verrast op. Ze beschouwden me als een veilig pierenbadje voor hun kinderen die meteen op mijn buik sprongen.
Netjes stelde ik me voor,  ‘Hatweeo, aangenaam.’
Ze zeiden niets terug, konden natuurlijk nog niet praten.
Ik lag lekker.
Af en toe blubde ik wat, blies bellen voor de kleintjes, dutte weg en werd weer wakker. Knipoogde naar een waterluis.
Een uur geleden ben ik weer in mezelf gekropen. De vogels keken sip, ik troostte ze met een verkruimeld mariabiskwietje. Hadden zij ook een geslaagde dag.
Een smelttrip, zonder papaver of paddenstoel, helder van geest blijvend en zonder last van hinderlijke naweeën.
Ik kan het iedereen aanbevelen.

 

Weekendbegin

Het was vrijdagavond, een paar jaar geleden
De thermostaat was niet goed afgesteld en we staarden suffig want te warm naar de tv, verkoelend biertje in de hand.  Zweterige kaas op een plankje tussen ons in.
We namen een slok. En nog een. Zo sukkelden we soezerig door de avond.
Plots werd er luid geklopt. Geschrokken keek ik op, rende naar de gordijnen en trok ze open. Er stond iemand buiten, een man. Hij wees naar de voordeur.
Ik maakte open, ‘de bel deed het niet’, zei hij,  liep naar binnen en ging in mijn stoel zitten.
‘Lekker’, zei hij terwijl hij zijn voeten op tafel legde en nam een kaasje.
‘Kom, de stoel is breed genoeg’. Ik zette me naast hem;  hij sloeg zijn arm om me heen waarop ik verzaligd tegen hem aanleunde. ‘Hemels’, mompelde ik, ‘net vakantie’.
‘Dat is het ook.’ Er verscheen een vaag zonnig beeld met nog vagere muziek,  hij stond op, danste en sprong,  hoog, hoger, ik reikte naar hem maar hij verdween.
Ik ook, naar de echte wereld waar ik nog steeds het geklop hoorde.
Verdwaasd keek ik op, het glas scheef in de hand.
‘Vervelend, die verbouwing bij de buren,’  ontevreden keek echtgenoot me aan, ‘en jij slaapt overal doorheen…’

blubblub


Ja, ik zit nog steeds ondergedoken. Letterlijk.
De broeierigheid werd gistermiddag zo hevig dat ik me overal van los moest rukken: plakkend aan armleunigen, deurknoppen, aanrecht en koffiepot tot ik tenslotte aan de vloer genageld leek en geen kant heen kon.
Dat werd me te gortig.
Ik stapte uit de slippers en daalde af in het transpiratiebad dat zich rondom mijn lijf vormde. Daarin zweefde ik, wachtend op een stortregen en/of koele tocht. Die beiden uitbleven, het armzalige trekje dat me ten deel viel deed het bad amper rimpelen.
Wel bliksemde het, veel en vaak; toen tenslotte een regenbui zich liet horen sliep ik al, rustend in mijn persoonlijke zweetbad. Tot vanmorgen .
Wakker wordend probeerde ik eerst de lucht. Die was nog steeds lauw en klam.
Opnieuw dook ik onder.
Toch is er hoop.  Het bad koelt af, langzaam, langzaam maar duidelijk. Af en toe steek ik een vinger boven water en voel ik dat het gezonder is.
Wordt het misschien nog een fris weekeinde.