De daas is dood.

Languit op de ligstoel, profiteren van een echte zomerdag. Dacht ik.
Vijf hele minuten.
Toen verscheen er een paardenvlieg in mijn blikveld, een soort daas, een lange met grijzige strepen, ja die, wiens familie me al vaker roodgenopt had gebeten.
Geschrokken greep ik me vast aan mepper en krant. Hij rondde een flinke bocht  en dook op mijn blote voeten. Ik schopte en hij vloog naar mijn hoofd waarop ik in zijn gezicht hoestte en hij bezwijmd op de armleuning viel.
Maar dan.
-Ik moet bekennen dat ik insecten makkelijk dood mep of plat trap behalve als ze te groot zijn. Ze knerpen onder je schoen of soppen een lijkvlek in de krant waardoor je letterlijk denkt aan moord en bij het bekijken van de drabbige substantie waan je je een dierenbeul. –
Wat nu te doen met het flauwgevallen beest.
Met de mepper veegde ik hem op de krant en liep ermee naar de kliko, daar mocht hij uitzieken.  Halverwege echter bewoog hij weer, paniekerig liet ik hem vallen en sloeg alsnog met de krant.
Te hard, zo bleek.
Het nieuws was bijna  in tweeën en de daas in soepvorm,  losgerukte pootjes plakten op Brexit, saillant detail.

Zoiets was het

Advertenties

Een vlieg in de winter

Er zat een vlieg in de slaapkamer. Zo een die je meestal in de zomer ziet, diepzwart met een fluwelig rompje en minipootjes.

Vanmorgen werd ik wakker en knipte de lamp aan. Toen zag ik hem, op het nachtkastje. Ik keek naar hem. We knipperden niet, bleven doodstil wachten tot de ander begon. Het duurde lang, tè lang.
‘Ga weg,’ zei ik, ‘ga naar je moeder’ want hij was klein voor zijn leeftijd.Misschien gekrompen tijdens het verdwalen.
Hij bleef zitten.
Ik zette het raam open en wapperde om hem weg te sturen.
Hij ging niet.
Toen nam ik een tissue om hem voorzichtig op te pakken en uit te laten.
Hij was dood. Ja, zo kan ik het ook zonder te knipperen.