Een zomerdag

Luierend op het gazon. Muziekje, reader, spelletje, ik nam het ervan.
Ergens jengelde een kind, een vrouw riep. ‘Neenee, niet naar de vijver, op het gras blijven.’
Ik soesde verder.
Het kind jengelde weer, luider deze keer. De vrouw riep opnieuw. ‘Op het gras, zei ik. Moet ik je vastbinden?’
Ik zat rechtop van ergernis, waarom dat kind niet een bootje gegeven of een opblaasbandje. Warm als het was.
Enfin.
Bijna weggedommeld hoorde ik het kind opnieuw, kort, me toch weer uit mijn ritme halend.
Het werd stil.
Beetje vreemd zonder gejengel. Ondanks de irritatie vond ik het zo, ja, zo gewoon, het hoorde bij een kind en de mamma.
Een nieuw geluid.
Geschrokken sprong ik op, een vrouw schreeuwde hard.
Mensen riepen, snelle voetstappen, de sirene van een ambulance.
Het kind dat niet meer jengelde.
De geluiden ebden weg, die van de ambulance ook.
Ik ging naar binnen.
==

Advertenties

Zoveel energie en dat met die warmte

Alles in de tuin groeit zo hard, ik ben al buiten adem als ik het spul groter zie worden. Knoppen en ranken komen me tegemoet en wuiven bij het passeren. Dan hijg ik een knikje terug.
Maar mooi is het.
De campanula is in opmars voor de jaarlijkse verblauwing.
Een grote klaproos sterft af, hij moest zo nodig de eerste zijn.
Een druiventak reikt zo ver mogelijk, hij zwaait met lange halen.
In de varen kan ik straks wonen.
Uit de kunstgrasmat komt niets, je zou iets cultureels verwachten, een schilderskwast desnoods maar het laat slechts dunne halmen door.
Van het theekopje valt niets te zeggen. Het hangt.
Wat met de overige planten? Die groeien me zowat boven het hoofd, nog een geluk dat de stoep niet leeft, stel je voor dat de tegels knoppen kregen, hoe zou je die moeten verzorgen?

Net was er een onweers-hoosbui die de laatste blaadjes van de klaproos vernielde, ocharme, maar ja, dat is des klaproos’. De rest is er juist van opgefrist en schiet nu nog sneller omhoog, ik zag zojuist twee klimoptakken een wedstrijdje houden: wie zich het eerst om de waslijn krulde. Enig, het enthousiasme van dat jonge spul.
De spiegels doen niet aan groot worden en waarom zouden ze ook, ze zijn mooi genoeg.
Ze staren eindeloos in het vijvertje, wachtend op, nee, niet op narcissen.
Dat vinden ze te geijkt, te ijdeltuiten.
Trouwens, Godot laat zich ook niet zien.