Het brutale meisje

Dat dit vers nog bestaat wist ik niet. 
Ooit heb ik het ergens geplaatst, weet niet meer waar en wanneer, en plotseling was het kwijt.
Het is uiterst simpel van ritme en rijm maar het schrijven ervan was zo gezellig dat ik er niets aan heb verbeterd. Dat zou mijn plezier achteraf tenietdoen .

Er was er eens een meisje
dat bekte zo brutaal
haar ouders en de juffen
die zeiden menigmaal
‘pas op je woorden kindje
je komt nog in de goot’
ze lachte dan ten antwoord
‘ook daar verkoopt men brood’

Zo werd ze achttien jaren
haar grofte groeide mee
het kon niet missen dat ze
haar voordeel er mee dee
de vrijers konden dokken
voor elke verwarmend uur
de Mammon was haar afgod
ze diende hem met vuur

‘Mijn poesie is mijn passie’
dat werd haar wervingsleus
verborg de muntenhonger
in woorden zeer scabreus
brutaal bouwde zij prijzen
de hoogste hoogten in
totdat ze heel erg oud was
toen had ze hare zin.

Ze kocht een lieflijk huisje
al in een stichtend hof
en jaagde alle oudjes
de bomen in, zo grof
was ze tot aan haar sterven.
En voor men haar begroef
toen dichtte men haar lippen
met een dubbele schroef.

© Bertie/Bertjens

Advertenties

Aansluitend vers op vorig logje

Toen ik de keuken leerde kennen
met inbegrip van pot en pan
was het makkelijk te wennen
aan het smaakgebruik ervan.
Zaligheid te combineren
groenten vlees en verse sjuutjes
champignons met kaasfonduutjes
en de smaak te reguleren
tot een tongstrelend menuutje.

Nog steeds zal ik met graagte zoeken
in opwindend-zoete boeken
die getuigen van het eten
ondanks dokter’s beterweten.

Net meisje

Geen geuren, geen kleuren,
geen kantjes of randjes
aan shirt en beha
waarom ‘oh-la-la’?
Niet nodig, dat vond ze
ze hield niet van hondse
en snuivende hijgers
zij prefereerde dóór-tastende zwijgers.

Jammer voor haar,
niet één frutselaar
die wilde haar hand
ze bleef onderaan in ieders bestand
wie wil er dan ook
zo’n braverig spook.
Een keurige meid?
Een rampzaligheid.

Supermarkt

Een bord vol kaas
blokjes Emmentaler
hmmm dacht ik
ik haal er
drie of vier van af
en snaaide met gulle hand
liep snel naar de andere kant
om stiekem te kanen
daar strafte meteen
die bemoeizuchtige god.
Een kruimel hechtte in mijn strot
Ik hoeste -weinig discreet-
lawaaiig en tranend
een tissu vol
Iemand bekeek me vermanend
zag niet hoe ik leed:
zo iets lekkers
me door de neus geboord.
Tis godgeklaagd en ongehoord.