’t Is een vreemdeling zeker.

Een man neemt plaats in de dokterswachtkamer.  Hij ziet er opgeblazen uit, pafferig en pompeus tegelijk.
Rondkijkend merkt hij dat elkaars kwalen besproken worden.
Veel klachten lijken simpel. Verstopte neus, gipsen been, een kind met buikpijn, ze stellen niet veel voor maar het maakt hem niets uit. Hij heeft geduld en luistert naar alle verhalen. De tersluikse blikken zijn duidelijk, hij zal dra gevraagd worden. Een onbekende met een breed gzicht moet wel iets aparts zijn, verwacht hij.
De vrouw naast hem neemt het woord. ‘En wat heeft U, meneer?’
‘Een dik hoofd, mevrouw.’
De overige patiënten knikken bevestigend maar zeggen niets, ze wachten op de reactie van de woordvoerster.
‘Aha,’ zegt deze. Ze strijkt onwillekeurig over haar haar. ‘Hoe komt dat?’
‘Er zit een kolder in.’
‘Oh, echt waar?’ Weifelend schuift ze haar stoel een stukje op. Je weet maar nooit.
‘Nou en of.’
‘Goh, dat is ook wat.’ Ze schuift nog verder weg. ‘Wat moet de dokter daar aan doen?’
‘Een briefje voor de psychiater, U weet wel, graafwerk in de geest.’  Zijn ogen staan verwaand.
De vrouw slikt. ‘Dat zal een hoop gespit worden,’ zegt ze met een blik op zijn grote wangen.
De man toont zich gevleid. ‘Ja mevrouw, daar reken ik ook op.’
In daaropvolgende stilte kijkt men elkaar gegeneerd aan.
De dokter verschijnt: ‘Volgende patiënt.’ Allen wijzen opgelucht naar de bolle.
Ze wachten zwijgend tot de man zich weer laat zien.
Triomfantelijk houdt hij een verwijsbrief omhoog. ‘Afspraak met de neuroloog,’ legt hij uit, ‘waarschijnlijk heb ik een van de grootste kolders die hij ooit heeft gezien.’
Verbouwereerd staren de wachtenden hem na.

Godus, hond

Er leefde eens een Riesenschnauzer genaamd Godus die  een eigenaardige maar levendige hobby bezat: hij beheerde een vlooiencircus.
Achter zijn rechteroor woonden de artiesten, onder zijn linkeroksel bewaarde hij de attributen. Springtouwen en zo. Op deze manier hield hij het spul onder controle.
Bij voldoende publiek hees hij het hele circus op zijn rug en daar vertoonden de vlooien hun kunsten.
Het moet gezegd, ze waren goed. Geen andere vlo sprong ooit zo hoog en hun pyramide-opbouw was werkelijk adembenemend.

Op zekere dag vermoordde zijn baas alle deelnemers, knipte de touwen weg  en toen was het gedaan met Godus’  hobby.
Hij wilde geen nieuwe meer en schurkte zich in zijn lot.

ps
Dit is een oudje uit de serie 120-woordenverhaal,  sla het gerust over als je het al kent.

Man en regen

Hier zit ik,  zonder echtgenote die weggelopen is met de hond, me suf te vervelen op die doorgezakte bank aan een kop slappe thee. Het laatste zakje. Wezenloos staar ik naar ramen als regenrivieren. Chagrijnig tot op het bot zoek ik kouwelijk de enige deken die ik kan vinden, een kriebelig jeukding maar so what, ’n paar niesbuien geven misschien afleiding.
Gebeurde er maar wat.
Half hopend kijk ik uit naar iemand, kan niet schelen wie. Hij zal druipnat zijn hetgeen precies bij mijn stemming past. Niet dat ik op hem reken, ik denk dat ik ijl door kou en gekriebel.
En dan, als ik van vervelendigheid bijna in coma raak, gaat de bel.
Halleluja, de druppelende man. Ik sleep me naar de deur en zie een beauty van een vrouw,  knetterend van droogte onder een privézon, in een krans van azuur  terwijl de regen om haar heen stoomt. Ze  lacht en zegt: ‘Dag, ik ben verkoper.’  Perplex staar ik haar aan. ‘Dit klopt niet,’ begin ik, ‘U moet een man zijn, kleddernat en wat verkoopt U eigenlijk?’
‘Wat denkt U meneer? Zon natuurlijk. Bij afname van driehonderdduizend kwh krijgt U drie uur per dag extra voor de helft van de prijs. Dooft meteen alle regenbuien.’
Dat klopt, de druppels verdampen zodra ze haar raken.
Ik aarzel. ‘En waarom bent U geen man? Zo heb ik het toch bedacht?’
‘Ah, een delicate kwestie maar ik zal eerlijk zijn. Teveel zon is schadelijk,’ ik knik, ‘er kan een kleine mutatie optreden. Maakt U zich geen zorgen, een hangertje meer of minder deert de mensheid niet. Voor U het weet zit U aan de verkeerde kant en geniet evenveel als vóór die tijd.’
Ongelovig kijk ik haar aan. ‘Meent U dat nou?’
‘Zeker. Wilt U…’
Nee, ik wil niks en gooi de deur dicht. Meteen klettert de regen weer. Weg koortsdromen van kletsnatte verkopers die me gezellige dingen aansmeren en de vervelende middag doorbreken.
Narrig kruip ik weer onder de jeukdeken en drink de laatste thee op.
Ik denk aan het zonne-aanbod en aan mijn weggelopen vrouw.
Stel dat ze terugkomt, gelokt door mijn extra- zon, wat zou ik moeten zeggen?
Een overdosis aanbieden?

Voorbij

Het is stil.
De sfeerkaars suist, speelt bij tochtvlagen een variatie.
Ik zit aan de toetsen en tik. Mijn brein flitst, alles wat ik bedenk wordt genoteerd.
Het kaarsengespetter stuurt me richting romantiek.
Ideeën dienen zich aan.  Ze  laten zich met moeite vangen. Van enkele vind ik een spoor terug in de tekst, de meeste vervluchtigen, verjaagd door nieuwe, opdringeriger invallen.
Koppig ga ik door. Scènes volgen elkaar op, langer wordt het verhaal, intenser de plot.
Als een bezetene vlieg ik over de toetsen, begerig naar het einde dat zich ontvouwt tot een drama dat ik niet voorzie.
Nog een inval, een laatste idee, alweer een paar woorden, niet teveel? geeft niks, bewerken volgt nog.
Tenslotte ligt er een redelijk concept.
Overlezen?
Beter een nachtje laten liggen.

Volgende ochtend lees ik, zie dat het tegenvalt en delete, plak, kopiëer, voeg nieuwe zinnen toe. Sleep, weer terug, schift met pijn.
Gespannen lees ik opnieuw.
En huil om het zoveelste mislukte verhaal.
Het allerlaatste.
==

Blo, vampierenkind

De  Lucarda’s kregen een zoontje.
Vader Des en moeder Dif waren heel gelukkig met het kleintje; ze noemden het kind Bloody, afgekort Blo.
Blo’tje was een mooie baby, hij deed het goed op de voedzame melk van Dif.
Tot de dag dat hij groot genoeg was voor foeragetochten.
Daarmee kwam iets eigenaardigs aan het licht: Blo lustte geen bloed. Hij kokhalsde ervan.
O, hij genoot wel van de nachtelijke tochtjes, hij zette graag zijn tanden ergens in. Alleen dat bloed, jèk, liever fladderde hij naar een appelboom.

Zijn ouders probeerden het met vampierenvoedsel; Dif maakte vatensoep-met-balletjes en adertjespap, ze wist de hand te leggen op verse boezemfilet. Zonder resultaat. Blo’tje lustte géén bloed en daarmee uit.
Daarentegen was hij in zijn element bij fruithandelaren.
Elke nacht zocht hij kiertjes in hun voorraadhallen waar de geuren hem zowat bedwelmden en hij zich tegoed deed, fladderend van kistje naar kistje. Hij beet gaten in appelen en bananen, proefde hier wat van en daar, sabbelde gezellig met de buurkevers alle druiventakken leeg en vloog, boerend van teveel sap, naar huis.
Meestal waren Des en Dif nog op jacht en kon hij naar bed.
Soms zaten ze op hem te wachten met een slaapmutsje.
Hij vond dat vervelend; van bloedwijn kreeg hij het zuur en dan zijn vaders opschepperij die half Roemenië had leeggeslurpt inclusief Ceaușescu. Zei hij. Bah.

Intussen was de Fruithandelarenbond in alle staten. Niemand wist welk insect grote tanden had, niemand dacht aan een vampier.
Men besloot het probleem groots aan te pakken.
Alle denkbare vergiften werden ingezet, men vernevelde ethylalcohol, kliederde met aldrin. Het was een machtig offensief waarbij het fruit zelf alvast het loodje legde nog voor het middernacht was.
Toen kwam Blo.
Hij was pas half binnen en rook direct een walgelijke walm, hij wist niet dat zoiets smakelijks zo vies kon ruiken.
Er waren slechts kisten met verschrompelde schillen. Ook lagen er lijkjes, enkele halfdooie pieren bewogen nog sloompjes.
Het was een gruwelijke aanblik.
Aangedaan mompelde hij een weesgegroet, bekruiste zich en verdween. Opstandig en hongerig. Wat moest hij nog op deze wereld?
Zijn lege maag dreef hem naar de velden en uit chagrijn beet hij de eerste de beste koe die hij tegenkwam en slurpte. En nog een. En weer.
Het bekwam hem onverwachts goed.
Bloed gaat tenslotte zijn eigen gang.

Rondje om de aarde. Toepasselijk oudje bij storm.

Het stormde; een taaie wester die de meeste mensen binnen deed blijven.
Overdreven leek me maar toen ik voor een boodschap naar het dorp ging waaide ik van lantaarnpaal naar bushalte naar stopbord, waaraan ik me telkens vastklampte. De wind was sterker dan ik verwachtte.
Tenslotte verloor ik.
Ik vloog de lucht in, samen met een paar andere overmoedigen.
Hah! Niets konden we uitrichten tegen deze windkracht.
We werden op een kluitje geblazen en vlogen naar het oosten. Angstig grepen we elkaars handen, keken fronsend naar het Ruhrgebied onder ons en waaiden verder. Boven Polen kwamen we in een wolk van zloty’s terecht; we staken er geen vinger naar uit, verbaasd als we waren dat ze nog in gebruik waren al was het maar door de wind.
De storm joeg ons door, almaar door, we zagen Moskou; Russen zwaaiden naar ons, ze leken het heel gewoon te vinden dat er een trosje mensen door de lucht vloog. Even dachten we Poetin te herkennen maar het was iemand anders met een muizengezicht.
Een lid van ons groepje begon te klagen over de kou; inderdaad had hij ijspegels aan zijn neus hangen maar we wisten niet beters te doen dan zijn colbertje dicht te knopen. Wie had ook gedacht dat we de lucht in zouden worden geblazen?
De storm liet niet af.
De Beringzee kwam in zicht.  Mijn god, de kou golfde op ons af en we doken diep in onze kragen. Ach, steunde een man, was ik maar bij moeders thuis gebleven. Hij werd er niet warmer van.
Canada. Sneeuw, ijs en nog meer wind, zowel Franse als Britse maar de laatste had meer kracht en blies ons de oceaan over.
Ierland, Engeland, een piloot van een Ryan Air toeterde en stak zijn hand op. We knikten, onmachtig terug te zwaaien met onze verkleumde armen.

En toen, toen ging hij liggen, heel zachtjes en we landden voorzichtig in de straten van ons dorp.
Op de tenen liepen we naar huis, bang hem weer wakker te maken.
==========
==========
Krachtige windstoten
   

Teveel verkeerslichten, dit krijg je ervan

Ongeduldig wacht ze voor het stoplicht.
Jeez, dat duurt lang.
Geïriteerd kijkt ze rond.
Haar oog valt op een porsche, hoei, wat een stuk achter het stuur.
Op voorhand verliefd loert ze naar binnen. Hij kijkt slechts.
Yes! Dit is de man en auto die ze zoekt.
Het licht springt op groen.
Ze drukt het gas in, gelijktijdig spuiten ze weg naar het volgende stoplicht.
Rood, stoppen.
Ze kijkt hem aan, probeert een knipoog. Hij reageert niet.
Wat! Negeren? Haar? Ze kijkt nog een keer, opnieuw ziet hij haar niet.
Hé, weer groen, vlug volgt ze, de blik gericht op de Porsche. Het lijkt een wedstrijd.
Het tafereel herhaalt zich, de man kijkt haar nu bevreemd aan..
Ze let alleen nog op de porsche die razendsnel optrekt. Met moeite houdt ze hem bij en ziet, o god, een afwerend gezicht dat ongeduldig, zelfs verveeld kijkt.
Een geërgerd oog richt zich op haar.
-Neeeee, laat hem stoppen, ik wil hem, hij móet.

Ze komen weer in beweging. Ze wijst  naar rechts, rijdt naar de stoeprand en houdt stil.
Even later parkeert hij achter haar. Haar hart bonst, nu moet hij met haar praten, ha!
Voor ze de wagen uit is staat hij bij haar portier.
‘Ik ga je aangeven, trut. Stalken is verboden.’

Episode uit het leven van Heer Dood.

Klikkerdeklak, klikkerdeklak.
Rammelend hinkte Heer Dood over straat, vloekend om de stupiditeit: een gekneusde rib. Hij, een gerenommeerd geraamte, een man van de highest bone-society, hij was gestruikeld.
Over een halfgare vlooienvanger. Of all people trof hij een idioot.
Het gebeurde doordat de onwijze met een vangnet aan het jagen was op enkele ontsnapte vlooien en daarbij De Dood over het benige hoofd zag, tegen hem aan botste en ze samen met een kletterende klap ten val kwamen.
Heer Dood, die in gedachten verzonken was, had niet op de vlooienman gelet en staarde na de klap verdwaasd naar zijn bottenuitstalling.
Langzaam kwam hij bij zinnen waarna hij probeerde zijn ruggengraat in de juiste positie te wringen.
Het ging moeizaam, zijn botten kraakten naargeestig; hij moest onder ogen zien dat hij beschadigd was.
Een van de ribben was zo pijnlijk verbogen dat hij hem niet in de juiste kromming kon terugbuigen zonder in akelig  tandengekners uit te barsten.
De vlooienvanger stond over Dood gebogen. ‘Lukt het ’n beetje, meneer? Lust U een vlooitje?’ en hield hem het gevulde potje voor.
De Dood keek met holle ogen naar hem op. “Haal een brancard”, begon hij, ingehouden, maar allengs wonnen zijn holtes aan volume en donderde hij ‘of een sleepwagen, een fiets, draag me desnoods op je rug maar breng me naar een kraker of ik zal je vlooien in je hemd stoppen dat je je nagels aan flarden krabt.’
Geschrokken liet de man zijn attributen vallen, raapte Hr Dood op en hees hem in de brandweergreep. Hij holde zo vlug hij kon met zijn rammelende vracht naar het hospitaal en leverde hem af voor de kamer van Zw. Rib, mr.dr. voor alle beenderen.
Meer dood dan levend hing de gewonde tegen de deur, toen meester Rib eigenhandig openmaakte viel er een bijna bezwijmd geraamte in zijn armen.
‘Nou nou’, reageerde de heer Rib overdonderd, ‘dat is wel wat veel voor één consult. Hier had U een dubbele afspraak voor moeten maken.’
Heer Dood schudde zijn doodshoofd: ‘Alleen die ene rib, die zo krom uitsteekt, kun je die onder verdoving rechtzetten? Het doet pijn als ik lach’.
‘Hm, eens even kijken, gaat U hier maar liggen’.
Heer Dood sorteerde zich op de onderzoekstafel; hij probeerde zo zachtjes mogelijk ‘au’ te roepen maar kon niet voorkomen dat Rib gepijnigd naar zijn oren greep en gehaast zei: ‘laten we beginnen met een afleidingsmuziekje, de Danse Macabre lijkt me wel geschikt.’
Hij haakte een koptelefoon aan Dood’s hoofd. Ook goot hij een plens pijnstiller her en der tussen de knekels, daarna sloeg hij de aangedane rib met een rubber hamer in de juiste positie. De pijnkreten vielen fraai samen met het slotstuk van de muziek.
Heer Dood stond op, hij krabte zich.
‘Het jeukt dat het barst,’ klaagde hij.
Bestraffend keek Rib hem aan. ‘Houdt de hygiëne in acht meneer, dat krijgt U ook geen vlooien.’

Na afloop strompelde Heer Dood dikbezwachteld, bleek en met een borst vol wraakgevoelens de deur uit. Op zoek naar de vlooienvanger.
‘Die gaat er aan,’ klapperde hij, ‘vandaag nog.’
Klikkerdeklak, klikkerdeklak.

Bijgeloof?

Wakker liggend hoor ik opeens een zacht gemurmel.
Vreemd. Ik controleer tv, internet en keukenapparatuur en ga weer naar bed.
Opnieuw hoor ik het, luider nu. Speurend kijk ik rond maar de maan laat het afweten waardoor schaduwen vaag aandoen, de stoel is een onduidelijk vorm, het nachtkastje een donkere vlek. Ik knip het licht aan, niets te zien, en uit.
Het geluid zwelt aan, langzaam maar onmiskenbaar.
Een gedachte flitst door mijn hoofd: komen ze me halen? Hebben ze weet van..  neeee, zoiets bestaat niet.
Dieper kruip ik onder de dekens.
Ze dempen het geluid slechts ten dele. Het heeft nu een doffe ondertoon, iets dwingends.
Het klinkt als een omen van slechtheden en doet me huiveren.
‘Jje bent toch niet bang?’ meen ik te verstaan. ‘Kom kennis maken…’ Maar ik ben juist erg bang, gluur voorzichtig door een kiertje. De maan richt één voorzichtige straal op het nachtkastje, duikt weer weg.
Het is genoeg. Daar ligt het levenstestament dat ik maakte.
‘…in geval van ernstige ziekte …blijvend letsel aan organen… etcetera….blabla… gelieve mijn leven niet te rekken…’
Een bijgelovige vriendin keurde het af. ‘Het is de goden verzoeken, ze komen je halen voor je tijd.’
Ik lachte haar uit.
Maar nu.
Ze komen naderbij, ze willen me. Ik voel het en sterf nu al bijna, van angst. Nog niet, roep ik, het is te vroeg, ga weg, ik wil niet…
In wanhoop grijp ik het papier en scheur en nogmaals en meer, bij elke rits neemt het murmelen af tot het papier op is.
Het is stil.