Alwéér die wolf

Er staat een man voor de deur als ik opendoe.
– Alstublieft mevrouw, mag ik hier schuilen tot morgenochtend?
Ik bekijk hem. Keurig uiterlijk ondanks de stromende regen.
Druppelende, toch nette jas.
Felle blik maar daar houd ik wel van. Sterker, het doet me hem meteen binnenlaten.
Opgelucht zet hij zich in de keuken, accepteert koffie, een broodje en met een verrast ‘ja graag’ ook een cognac.
Intussen droog ik zijn jas en steek een paar kaarsen aan.
Hij ziet het.
– Mevrouw, eh, ik ben niet op een avontuurtje uit …’
Ik glimlach hem toe. ‘Waarom niet? Voor één nachtje…’
Zijn ogen versluieren. Keurend bekijkt hij me.
– Misschien.
De avond vordert, het is sfeervol en de stemming is sexy. Ik gloei.
Tegen twaalven staat hij op.
-Eén plicht heb ik nog, dan kom ik terug. Houd het bed warm.
Node laat ik hem gaan.
En lig in bed, wacht en wacht en tenslotte is hij daar. Ik hoor hem poedelen onder de douche.
We lachen bij het weerzien.

De ochtend daarop vind ik in de badkamer bebloede kleren, haren, vuil.
Wat, frons ik, was die plicht van hem? Was hij een terrorist? Psychopaat? Lustmoordenaar?
Griezelend maar flink confronteer ik hem ermee.
Hij zucht.
– Het was een taai slachtoffer, ik kon hem niet opvreten zonder te knoeien.
Sorry. –
=

Advertenties

Heet


Het was bloedheet toen ik wakker werd. Zelfs in bed voelde ik het.
De vorst is verdwenen, dacht ik en sliep verder zonder dekbed.
Niet lang. Het leek zo raar dat april een hoogzomerse temperatuur bood, in de vroege morgen nog wel.
Zwetend zette ik de thermostaat lager, zag dat hij maar op vijftien graden stond. Toch vreemd, dan had het koeler moeten zijn.
De badkamer leek een sauna.
Aan het ontbijt werd het nog warmer.
Ik besloot de weerman te bellen.

Goedemorgen meneer, kunt U me uitleggen waar die hitte vandaan komt?
– Vóórzomer mevrouw, heel normaal hoor.
Jawel maar het moet hier nu ongeveer 15 graden zijn en het lijkt eerder tropisch.
– Mevrouw, U heeft waarschijnlijk een heet brein.
Een wàt??
– Een heet brein. Bent U soms bijgelovig?
Eh, ja maar wat heeft dat met hitte te mmaken?
– Daar heb je het al. Klopgeesten, zwarte katten of wat dan ook.
Ik sta paf meneer, hoe werkt dat dan met het brein?
– Weet ik veel. Ik hoorde het toevallig.
En wat moet ik daar aan doen?
– Simpel. Werp het van U af en leer nuchter te denken.
Dank U wel meneer, ik zal mijn best doen.

Wat nu. Nuchter denken, hoe zou ik dat moeten leren?
Rondkijkend zag ik niets wat mijn bijgeloof zou temmen.
Misschien bood de krant een tip, ik sloeg hem open bij Dorpsnieuwtjes
Speurend naar mogelijheden stond mijn hart plotseling stil.
‘Jan Schildering liep onder zijn ladder door, enige minuten later liep zijn zwarte buurkater zich dood onder de trein.’
Maar… dat kan toch niet… ik flipte van ongeloof.
Dat is helemaal verkeerd, het hoort anders…
Eindelijk zag ik de nonsens van bijgeloof en begreep het nuchtere denken.
Een verrukkelijke verkoeling overviel me.
==

Koud


Het was berekoud toen ik wakker werd. Zelfs in bed voelde ik het.
Nachtvorst, dacht ik en kroop er nog eens diep onder.
Niet lang. Het leek zo raar dat nachtvorst in april een ijzige temperatuur bracht.
Rillend zette ik de thermostaat hoger, zag dat hij al op twintig graden stond. Toch vreemd, dan had het warmer moeten zijn.
De badkamer leek een vrieskist.
Aan het ontbijt werd ik niet warmer.
Ik besloot de weerman te bellen.

Goedemorgen meneer, kunt U me uitleggen waar die kou vandaan komt?
– Nachtvorst mevrouw, heel normaal hoor.
Jawel maar het moet hier nu 25 graden zijn en het lijkt eerder de noordpool.
– Mevrouw, U heeft waarschijnlijk een koude ziel…
Een wàt??
– Een koude ziel. Bent U gelovig?
Eh, nee maar hoe..
– Daar heb je het al. U bent van god los. Of van de de duivel of van wat dan ook.
Ik sta paf meneer, hoe werkt dat dan?
– Weet ik veel. Ik hoorde het toevallig.
En wat moet ik daar aan doen?
– Simpel. Ga geloven. Kies maar wat.
Dank U wel meneer, ik zal mijn best doen.

Wat nu, iets gelovenswaardigs  bedenken. Tegen wie zou ik moeten bidden?
Rondkijkend zag ik niets wat mijn ziel zou opwarmen.
Misschien bood de krant een tip, ik sloeg hem open bij overlijdensadvertenties.
Speurend naar bekenden stond mijn hart plotseling stil.
Heden overleden door een plotselinge hartstilstand mevrouw R. Blablabla… zij ruste in vrede’
Ha! Ik flipte van voldoening.
Dat pestwijf, die tod, de mannengek die mijn vrijers inpikte, daarna de verloofde en die van alle vriendinnen. Haar verrotte hart had natuurlijk teveel geëist, haar verdiende loon.
Eindelijk gerechtigheid. Een gloeiende gloed overviel me.
Jaaaaa,  daar kon ik in geloven.
Ik kreeg het er warm van.
==

Ondergang. sf

Het water steeg.
Zeeën reikten naar land.
Trokken zich terug en namen  overtollig afval en uitgespuugde  kauwgummetjes mee.
De tijd liep door; de vloed kwam hoger, en hoger, stranden verzonken evenals de rest van alle werelddelen. De mensheid verging.

Eonen verstreken voordat de aarde tot rust kwam en zich opnieuw in land en water verdeelde en leven voortbracht.
Op verschillende plekken verschenen nieuwe mensen
De geschiedenis herhaalde zich, ze groeiden uit tot een intelligent en nieuwsgierig ras.
Vanzelfsprekend wilden ook zij alles weten over hun voorouders.
Ze betastten de aarde, onderzochten de zeëen, exploreerden de maan, ontdekten oude wetenschappen en determineerden diepbegraven botten.

Toen, zoekend in diepere lagen en troggen, stuitten ze op de onverklaarbare vondst van ondefinieerbare kleine voorwerpjes, divers van vorm maar ontegenzeggelijk vergelijkbaar.
Ze oogden gebleekt en hadden vaak diepe moeten. Niets in de oude informatie hielp hen verder tot ze bij een diepteanalyse de kern ontleedden.
Het bleek een eetbare soort te zijn, rubberachtig en rekbaar, opgebouwd uit weinig voedingsstoffen maar waarschijnlijk veelgebruikt door primitieven.

Eindelijk werd de ondergang van de toenmalige mens begrepen.
Deze kòn zich niet weren tegen de klimatologische wreedheden, onvoldoende gevoed als hij was door dit karige dieet.
Een droeve ontdekking.
==

Bedverhaal

De nacht arriveerde.
Ik voelde hem aankomen, geluidloos maar merkbaar trad hij binnen. Horen deed ik hem niet want stilte is zijn bekendste eigenschap die hij, tegelijk met zijn troostend vermogen, over de mensen uitspreidt en waarmee hij ze in slaap sust.
Ditmaal weerstond mijn gepieker hem.
Zeggenschap had ik er niet over; wakkerliggend en waakdromend wachtte ik op de nieuwe dag.
Toen vertrok hij.
‘Dag, nacht’, zei ik, vooruit kijkend naar de volgende avond.
Misschien zou hij dan winnen en ik slapen.

Geen woorden vinden

Ken je dat?
Een idee voor een nieuw verhaal hebben en het niet voor elkaar krijgen?
Hoe vaak je ook begint, het is niet in de juiste woorden te vangen.
Humor verzandt, de sensatie is lauw, het drama stelt niets voor.
Dan zit er maar één ding op: stoppen en iets anders doen.
Zo verstandig ben ik meestal niet, .
Ik blijf krabbelen en deleten.
Deze keer is het plan een sprookje in een verhaal te passen, of er omheen te schrijven.

Het gaat over een verliefd meisje dat door haar vader wordt opgesloten in een kamer met een dakkapelletje bij gebrek aan een toren en dat zij haar korte kapsel betreurt en zodoende de vrijer niet met haar haren op kan hijsen. Ze is verliefd op hem en verslaafd aan Grimm
De vrijer interesseert zich geen barst voor verhaaltjes, hij is op zoek naar haar kamer. Het huis heeft er twintig waarvan vijftien met een dakkapel die allemaal zijn geblindeerd en waarin nooit licht brandt. Hoe moet hij haar vinden? Hij gooit steentjes tegen elk raam, klinkers, tenslotte neemt hij stoeptegels. Echter, de vader hoort het, stormt naar buiten, vangt per ongeluk een tegel op met zijn voorhoofd waarna hij terneer valt, verpletterd en morsdood.
Nu kan de vrijer naar binnen. Helaas wordt hij tegengehouden door verborgen elektrisch draadwerk dat hem insnoert, hij graait woest om zich heen, het draad vliegt vonkend de gordijnen in.
Ach en wee, waar zitten de goede feeën nu? Aan hun wijn te sippen?
Uiteindelijk staat het huis in de fik, meisje wordt warm en gilt, vrijer zit vast en krijst, vlammen knetteren vurig.

Zoiets moest het worden maar het hoeft niet meer. Alles is al gezegd.
Alleen de moraal ontbreekt.
Die moet ik nog bedenken.
==

Zwartmans

Mocht ik dit al eens geplaatst hebben, lees er dan maar overheen.

Er was eens een man, zo zwartgallig dat je al naar werd van tien minuten luisteren.
In één gesprek vernoemde hij het kabinet,  vertelde van trieste buien  en over donkere dagen en dan was hij nog niet eens goed op dreef. Van de nieuwsberichten onthield hij slechts de allerberoerdste.
‘In het westen vonden ze een lijk,’ zei hij bijvoorbeeld, ‘met afgesneden oren, het mes stak er nog in.’
Zijn huishoudster wachtte nooit het einde van zijn vertelsels af en vluchtte naar keuken of stofzuiger zodra hij zijn mond opendeed.
Soms werd hij teveel overmand door de ellende die hij overal ontwaarde; dan ging hij naar bed, in de hoop een berustende slaap te vinden. Maar prompt werd hij bezocht door nare beelden en ook daar onthield hij voornamelijk de aller- allernaarste van.
‘Gruwelijke nachtmerries bezochten me; een roedel zwarte weerwolven met bebloede tanden…’
De huishoudster knikte en haastte zich naar de wasmand.
Gekweld keek hij haar na, alleen achterblijvend met zijn gedroomde weerwolven.
-De wereld is er ellendig aan toe-  verzuchtte hij.

Had hij, vraag je je af, in een zwarte wieg gelegen?

Onverwacht

 

Het loopt tegen zonsondergang.
De lucht wordt paarsig, de wind houdt zich gedeisd.
Stilte heerst, nadrukkelijk door een vogel die roept. Ik herken het geluid niet, een pauw?
Ik huiver.
De sfeer doet denken aan de griezelschemer van een Draculafilm waarin een zwarte koets komt voorrijden.
Een voertuig nadert.
Het is de melkboer.