‘Ik moet je wat vertellen…’

Ik wil dood.
Wàt zeg je??
Ik wil dood.
– Maar.. waarom?
Ik vind er niets meer aan.
Hè? Wáár niet aan? Aan mij? Ons gezin?
Nergens aan.
– Wat mankeert er dan aan?
Niks.
Ik weet dat je het leven saai vindt..
Dus wil ik dood.
– maar dood willen om de sleur te ontlopen? Dat is toch…
redelijk?
– Ik… dit geloof ik niet..
Nee?
– Ik sta verstomd.
Ach.
– Wat zou je graag willen?
Dood.
Neenee. Ik bedoel, ècht, héél erg graag.
Dood.
– Toe nou lief, noem es wat. Iedereen heeft wel een bijzondere wens.
Nee.
Je weet niet…
wat?
– weet je wel wat je me áándoet?
Ik weet het.
– Maar je wilt evengoed…
dood.
– Zal ik een afspraak maken, huisarts, psych?
Nee.
– Alsjeblíéft schatje, is er soms iets gebeurd?
Nee.
– Please, wat is er mis met een sleur? Iederéén maakt dat mee..
En?
– Waarom kan jij er dan niet mee leven?
Er is niets aan.
godnogantoe, ik moet je dus vermoorden?
Waarom niet?
– Dit is.. dit..  hier, neem ‘n glas wijn.
Nee.
dit is niet te gelóven.
Luister eens,
– disgewoonidióót
gooi er nou dat spul in.
– wat móet ik met je
toe nou, schat
– durf je het zelf niet?
één handeling
– ik kan niet..
en je bent van me af.
———
– zo goed dan?
Dank je.
===
ps
Dit gesprek is verzonnen.

Advertenties

Regendag

Toen de regen niet ophield en de dakdekker weigerde het gat te repareren omdat het te nat was zodat ik gek werd van het gedrup in een emmer gaf ik mijn ongeduld op.
Wachten kan ook op een betere manier.
Met wattendotten in de oren en een plens jenever in de thee zette ik me op de bank. Prettige stilte hing om me heen, het vage geluid van water klonk als in de verte.
Verzaligd leunde ik achteruit en nam nog een slok. Bladerde wat in de krant , las hier en daar een woord.
Vulde het glas bij.
Hoe zou het zijn een leven als dit te leiden?
Zou het een mens gelukkig maken?
Opgewarmd door de thenever filosofeerde ik een eind weg toen er opeens een figuur voor het raam verscheen. Hij wees naar de deur.
Ik schrok me lam,  haalde de watten uit mijn oren en opende de voordeur.
Daar stond een man in een rubber bootje met peddels en zwemspeelgoed. Koffer op de bodem.
Hij klapte het deksel open en begon.
‘Meneer, ik zie dat U aan waterssport doet. Kijk eens wat een prachtig spul ik voor U heb’. Hij haalde een snorkel te voorschijn, zwempakken, reddingsgordels, badmutsen, harpoengeweren, zwemvliezen, waterdichte brooddozen, een vlot en zelfs een badeend. Die kwaakte chagrijnig.
‘Maar hoe komt U erbij dat ik zwemmen wil?’
‘U drijft toch? Dus ik dacht…’
Dreef ik? Ik keek naar beneden en verdomd, water stroomde over de vloer via de stoep naar buiten. Rondkijkend zag ik de emmer overlopen.
‘Neem de boot, dan krijgt U alle extra’s gratis. En van de eend wil ik ook af, het kreng lacht nooit.’ Het beest keek nog steeds chagrijnig maar ja, ik kon hem altijd nog voor een Pekingschotel gebruiken. Ik accepteerde. De man wenste me veel plezier en dreef verder.
De boot sleepte ik naar het lek, leegde de emmer er in en plonsde de eend erbij.
Kwaad loenste hij naar me op. Ik schonk hem de rest van de thee. Hij proefde en schudde met een vies gezicht zijn kop.
Dan maar een scheut jenever erbij; dat hielp, na één slok kwaakte hij het hoogste lied, zwoel draaide hij zich op zijn rug en stak de poten omhoog. Eenden hebben niet veel alcohol nodig.
Zelf kroop ik opnieuw op de bank; zonder thee en oorwatten maar het gaf niet, de jenever hielp me de regen te negeren.
De rest van de dag is rustig verlopen, veronderstel ik.
We werden pas laat wakker en toen was het droog.
De dakdekker stond voor het raam en wees naar de voordeur.
==

Een zomerdag

Luierend op het gazon. Muziekje, reader, spelletje, ik nam het ervan.
Ergens jengelde een kind, een vrouw riep. ‘Neenee, niet naar de vijver, op het gras blijven.’
Ik soesde verder.
Het kind jengelde weer, luider deze keer. De vrouw riep opnieuw. ‘Op het gras, zei ik. Moet ik je vastbinden?’
Ik zat rechtop van ergernis, waarom dat kind niet een bootje gegeven of een opblaasbandje. Warm als het was.
Enfin.
Bijna weggedommeld hoorde ik het kind opnieuw, kort, me toch weer uit mijn ritme halend.
Het werd stil.
Beetje vreemd zonder gejengel. Ondanks de irritatie vond ik het zo, ja, zo gewoon, het hoorde bij een kind en de mamma.
Een nieuw geluid.
Geschrokken sprong ik op, een vrouw schreeuwde hard.
Mensen riepen, snelle voetstappen, de sirene van een ambulance.
Het kind dat niet meer jengelde.
De geluiden ebden weg, die van de ambulance ook.
Ik ging naar binnen.
==

Geraamtes


Er wandelde een skelettenpaar over de markt.
Licht krakend en luchtig gekleed.
Hij in een zomershirt en kniebroek, zij in een minirok en doorkijkbloes.
Ze trokken veel aandacht.
Mensen bleven staan, kinderen griezelden of lachten, kooplui maakten de nodige grappen.
‘Voordelige smeerolie, meneer, mevrouw…’ ‘Soepvlees dame, eersteklas mergpijp…’
Ook een hond kwam aan ze snuffelen, haastig weggetrokken door zijn baas.
Het paar negeerde het bekijks al zou een scherp opmerker een geërgerde flikkering zien in zijn ooggaten.
Na de markt te hebben bekeken verdwenen ze.
Eenmaal buiten gehoorafstand zei hij het.
‘Stom mens, ik zei toch dat die bloes een slecht idee was?’
==

Meisje voor spiegel


Turend, haar blik op vol vermogen, speurt ze de huid van wangen, neus en kin af.
Alleen maar gladde huid. Geen puistje te zien, denkt ze tevreden.
Ze veegt een lok naar links, drapeert hem over het oor, schudt hem weer terug.
Als ze die ene krul achterover kamt, zou dat niet beter staan? Mmmm, nee….
Eigenlijk heel stom zelfs.
Ze brengt beide handen achter haar hoofd en tilt het haar op.
Dan draait ze haar hoofd iets naar rechts en omlaag; probeert een schuine blik omhoog. Tuitmondje erbij.
Jé, niet slecht, net een model, zal je die meiden moeten zien kijken.
Met één hand de haren vasthoudend probeert ze een selfie te maken van haar spiegelbeeld. Verdomd lastig, maar het resultaat is goed genoeg om op te slaan.
Nu de andere kant; haar rechterprofiel mag er ook zijn.
Ze oefent met haar wenkbrauwen. Vragend? Of toch maar verwonderd kijken, met grotere ogen? En de wangen ingezogen, gos wat een interessante kop is dit. Misschien uitproberen bij die lesbo van Duits? Lachen.
O ja, nog een strenge blik oefenen. Morgenmiddag komt die nieuwe voor biologie, een hunk maar wel serieus.
Ze fronst licht haar wenkbrauwen en trekt een strakke mond.
Ja, precies goed, hier móet hij voor vallen.

Ingesponnen door ijdelheid hoort ze niet de deur opengaan.
De moeder, een treurige puntenlijst in haar hand, kijkt naar de dochter die naar zichzelf kijkt.
Moedeloos haalt ze de schouders op.
Hier helpt geen gepreek.

©Bertjens/Bertie

Petrie’s stranddag

Lui leunt ze achterover, trots op haar zonnebruin, op de blikken, afgunstig of flirtend. Een enkele met nostalgie.
Ze weet het en geniet van de aandacht na een paar drukke maanden in haar baan.
Ze doezelt wat. Verlegt en strekt haar benen en zucht ontspannen.
Luistert naar de typische strandgeluiden die verweg klinken als ze haar ogen dicht doet.
De bel van een ijscoventer klinkt, een jochie lacht verlegen als zijn bal over haar heen rolt.
Ze tuurt naar de streep tussen lucht en water; hoe zou het zijn in Engeland?
Er vaart een boot langs de horizon. Later wil ze een grote reis maken op een luxe cruiseschip, daar droomt ze van.
Nu is ze weer thuis en moe, een uurtje naar bed voor ze gaat stappen zal lekker zijn.

Rond acht uur ontwaakt ze en kijkt bevreemd naar zandduinen en kamelen, waarop Adèle en Bieber langs palmbomen deinen, begeleid door Rutte in een rondvaartbootje op het Y. Macron danst met Merkel de Last Tango.
Het doodshoofd van Jackson zit op een witte tandem en deelt een sigaretje met Rihanna in een galgenbroekje, loom zwaaiend naar een verbijsterde Petrie, die niet weet of ze lachen moet of huilen. Dit is toch niet wat ze voor ogen had van een uurtje uitrusten?
Ze trekt het kussen over haar hoofd maar blijft het chagrijnige geknor van de kamelen horen en het klotsende Y-water.

In opvlammende paniek gooit ze het dek van zich af en schiet haar bed uit, water, veel koud water, ze moet wakker worden, weg met die beesten. Ze slaat en schopt en schreeuwt en zigzaggend, links en rechts stompend bereikt ze de deur, haast bezwijkend onder de hitte van de woestijnzon.
Bevend hangt ze tegen de wastafel, veert terug om de deur op slot te doen, huilend van ellende.
Wat is er aan de hand, snikt ze, ze is toch wakker, hoe komen al die mensen hier, ze hallucineert toch niet? Niet van een dagje zon?
Ze blijft in de badkamer zolang ze het gesnuif en gebabbel van de vreemde figuren hoort.
Langzamerhand wordt het rustig en durft ze voorzichtig de deur te openen. Er is niets te zien. Opgelucht kleedt ze zich aan.
Stappen, muziek, biertje, ze heeft er zin in.
Ze haast zich.
Op de trap naar beneden glijdt ze bijna uit over een hoopje zand. Er steekt een halfverdord palmblad in.
==
© Bertjens/Bertie

Lola koopt een gitaar. Oud verhaal, herzien.


‘Meneer, wat moet die gitaar kosten?’
‘Vijf euro mevrouwtje.’
Niet veel soeps natuurlijk, piekert Lola maar de snaren bijdraaien en stemmen is vast wel mogelijk. ‘Ik neem hem.’
Dit wilde ze altijd al, muziek leren, zingen, haar droom.
Terug in haar flatje plukt ze aan de snaren, hm, nogal dof.
Ze kijkt hem na, niezend door de stofproppen. Een snaar begeeft het. Verdorie. Nou ja, het is er maar één.
Optimistisch probeert ze het nog een keer.
Plingplonggg, ahhh, niet gek. Ze voelt de klanken door haar lijf vibreren,  verrukkellijk, het doet haar wat. Waarom zou ze les nemen?
Gelukzalig tokkelt ze verder.
Gegrepen door een zelfbedacht ritme raakt ze in vervoering en speelt de avond door tot de nacht.
Het ochtendgloren brengt haar een nieuw lied waarbij ze onvermoede zangkwaliteiten ontdekt. Alsof er klokjes in haar keel zitten, luid klingelen zij en de gitaar door de flat, opnieuw wordt ze geraakt, ze wil de mensheid verblijden met haar muziek.
Fanatiek werpt ze zich nogmaals op de vier snaren.

In de loop van de middag nemen de vibraties af, het spel wordt trager, haar stem is schor. Ze bedenkt een slaaplied en componeert een dommelig geluid tot ze wordt overstemd door de bel.
Ze veert op, daar zijn ze al, de blijen!
Neuriënd opent ze de deur.
Daar ziet ze alle flatbewoners bij elkaar. Gekwelde gezichten, zichtbaar lijdend.
‘Genade,’ smeken ze, ‘we gaan er en bloc onderdoor, ach buurvrouwlief, toe, zing niet meer en gooi dat jammerhout ook maar weg…’
Verbaasd luistert Lola, bezorgt ze de mensen verdriet? Maar dan moet ze juist vrolijkheid brengen en reikt al naar de gitaar.
Een politieagent stapt naar voren.
‘Hola, hier dat ding. Ik neem hem in beslag en klaag U aan wegens geluidsoverlast en het toebrengen van psychische schade aan de U omringende bewoners. Tenzij U belooft nooit meer te zingen anders dan zachtjes neuriënd, en stopt met musiceren. Wat is hierop Uw antwoord? Nou?’
Hij dringt aan op een directe belofte, zich bewust van de drom mensen achter hem.
Lola heeft haar trots.
‘Heel goed. Nooit meer zal ik zingen, zelfs geen woord meer hardop uitbrengen.’
Zwijgend doet ze de deur dicht.
En zwijgend leeft ze nog steeds, smachtend naar een eigen wolk met harp.
==
© Bertjens Bertie

Gedoe bij de kassa


‘Denk je aan de koek en vergeet de pudding niet. Sigaartjes…’ jengelt opa.
‘Kom op, je hebt nog een doosje liggen, we zijn zo thuis.’ Jachtig been ik naar de kassa om zijn gemeier te stoppen.
Die slome caissière. Nou gaat ze weer uitgebreid haar neus snuiten, is ze nog verkouden ook.
Jaaaa, we gaan door, nog twee vrouwen voor me. Hoera en opa houdt zijn mond, pffff.
Dan gebeurt het.
Er stoot me een man in de rug, hij duwt opa’s rollator bijna omver en klimt over de twee voorgangsters, roepend dat hij niet lang kan stilstaan. Hij gooit een paar euro’s en een zak chips op de band en wacht, trappelend van ongeduld.
Ik ken hem, razend word ik op die vent, een slijmerige zestiger die zich in alle winkels voordoet als een zielig ouwetje dat last heeft van zijn benen. Of rug. Van wat dan ook. En maar klagen.
Nu gaat hij te ver.
Als een wilde kip vlieg ik hem achterna, trek hem aan zijn kraag omhoog en zet hem op zijn plaats, achter mij.
‘Wachten!’ bijt ik hem toe. De caissière, onverwachts vlot, gooit hem enthousiast de chips en euro’s achterna. Ha!
Rust in de tent.
Het is wel èrg rustig. De klanten handelen stilletjes hun boodschappen en telefoontjes af en dan zijn we zover.
Opgelucht doen we de spullen in tassen en stappen op .
Hé, wat is dat nou? Politie die binnen stormt?
‘IN NAAM DER WET…’ buldert de een, ‘… HALT!’ schreeuwt de ander. Tegen mij! Verbluft kijk ik hen aan.
‘U heeft een man geworpen en een paar vrouwen bevlogen.’ Hm, niet slecht voor een korte kassapauze, dunkt me.
Fatsoenshalve houd ik me in en leg uit van de slijmerige zestiger die het eerst vloog en dat ik de vrouwen niet aangeraakt had.
Ze protesteren luid, de slijmerd jankt, de caissière verdedigt me en rent daarna een paar klanten achterna die zonder te betalen wegsluipen, kortom, het is een zootje.
De agenten kunnen het niet bijbenen en verdwijnen tenslotte.

Dan gaan wij ook weg, opa met een sigaartje tussen zijn vingers.
‘Hoe komt U daar nou aan?’
Gelukzalig neemt hij een trekje. ‘De kassajuffrouw had het zo druk, de arme meid…’

© Bertie

Alwéér die wolf

Er staat een man voor de deur als ik opendoe.
– Alstublieft mevrouw, mag ik hier schuilen tot morgenochtend?
Ik bekijk hem. Keurig uiterlijk ondanks de stromende regen.
Druppelende, toch nette jas.
Felle blik maar daar houd ik wel van. Sterker, het doet me hem meteen binnenlaten.
Opgelucht zet hij zich in de keuken, accepteert koffie, een broodje en met een verrast ‘ja graag’ ook een cognac.
Intussen droog ik zijn jas en steek een paar kaarsen aan.
Hij ziet het.
– Mevrouw, eh, ik ben niet op een avontuurtje uit …’
Ik glimlach hem toe. ‘Waarom niet? Voor één nachtje…’
Zijn ogen versluieren. Keurend bekijkt hij me.
– Misschien.
De avond vordert, het is sfeervol en de stemming is sexy. Ik gloei.
Tegen twaalven staat hij op.
-Eén plicht heb ik nog, dan kom ik terug. Houd het bed warm.
Node laat ik hem gaan.
En lig in bed, wacht en wacht en tenslotte is hij daar. Ik hoor hem poedelen onder de douche.
We lachen bij het weerzien.

De ochtend daarop vind ik in de badkamer bebloede kleren, haren, vuil.
Wat, frons ik, was die plicht van hem? Was hij een terrorist? Psychopaat? Lustmoordenaar?
Griezelend maar flink confronteer ik hem ermee.
Hij zucht.
– Het was een taai slachtoffer, ik kon hem niet opvreten zonder te knoeien.
Sorry. –
=

Heet


Het was bloedheet toen ik wakker werd. Zelfs in bed voelde ik het.
De vorst is verdwenen, dacht ik en sliep verder zonder dekbed.
Niet lang. Het leek zo raar dat april een hoogzomerse temperatuur bood, in de vroege morgen nog wel.
Zwetend zette ik de thermostaat lager, zag dat hij maar op vijftien graden stond. Toch vreemd, dan had het koeler moeten zijn.
De badkamer leek een sauna.
Aan het ontbijt werd het nog warmer.
Ik besloot de weerman te bellen.

Goedemorgen meneer, kunt U me uitleggen waar die hitte vandaan komt?
– Vóórzomer mevrouw, heel normaal hoor.
Jawel maar het moet hier nu ongeveer 15 graden zijn en het lijkt eerder tropisch.
– Mevrouw, U heeft waarschijnlijk een heet brein.
Een wàt??
– Een heet brein. Bent U soms bijgelovig?
Eh, ja maar wat heeft dat met hitte te mmaken?
– Daar heb je het al. Klopgeesten, zwarte katten of wat dan ook.
Ik sta paf meneer, hoe werkt dat dan met het brein?
– Weet ik veel. Ik hoorde het toevallig.
En wat moet ik daar aan doen?
– Simpel. Werp het van U af en leer nuchter te denken.
Dank U wel meneer, ik zal mijn best doen.

Wat nu. Nuchter denken, hoe zou ik dat moeten leren?
Rondkijkend zag ik niets wat mijn bijgeloof zou temmen.
Misschien bood de krant een tip, ik sloeg hem open bij Dorpsnieuwtjes
Speurend naar mogelijheden stond mijn hart plotseling stil.
‘Jan Schildering liep onder zijn ladder door, enige minuten later liep zijn zwarte buurkater zich dood onder de trein.’
Maar… dat kan toch niet… ik flipte van ongeloof.
Dat is helemaal verkeerd, het hoort anders…
Eindelijk zag ik de nonsens van bijgeloof en begreep het nuchtere denken.
Een verrukkelijke verkoeling overviel me.
==