Vader en dochters

Ontspannen zoekt Brett de juiste afslag.
Spanje. Vrijheid. Nieuw werk, nieuw land, nieuw leven.
‘Een eigen huis, een plek onder de son,’ zingt ze. Goed,  pappa’s huis maar voorlopig is ze eigen baas en ze gaat ervan genieten, YES.
Het staat leeg en zij mag er in. Lieve pappa, haar zo te verwennen. Hij mag dan teveel vrouwenvlees hebben,voor zijn dochter heeft hij alles over; misschien omdat ze zoveel op hem lijkt? Nou ja, ze vergeeft hem sowieso zijn vriendinnen.
Daar is ze dan, weg van dat stomme baantje bij de helpdesk en ontsnapt aan die suffe Jack. Hij durfde niet mee, hij had het niet op buitenlanders, de lul.
Zij heeft durf genoeg, ze zal de Spanjaarden eens wat laten zien. Met een spiksplinternieuw kappersdiploma op zak gaat ze het maken.
Opgewonden stapt ze uit en bekijkt het huis.
Blij wil ze de deur open maken als er een meisje naar buiten komt. ‘O pardon,’ zegt Brett en doet automatisch een stap opzij. ‘Sorry,’ zegt het vreemde kind tegelijkertijd en zet eveneens die stap.
Wat is dit?  Onbewoond toch??
Nieuwsgierig kijken ze elkaar aan. Trekken dan hoog de wenkbrauwen op.
Hoe kan dat?  Is dit een spiegel?  Verbluft is hun staren, naar eendere ogen, mond, wenkbrauwen.
‘Wie ben jij,’ vraagt Brett tenslotte.
‘De nieuwe bewoonster, Brett. En jij?’ antwoordt het meisje. In het Nederlands.
‘Ik ook.’
‘Maar…’
‘Ik heet ook Brett,  heb de sleutel en ga hier een kapsalon openen.’
‘Hoe kom je op mijn idee? Dit huis is van pappa. Ik heb alle papieren, waar zijn die van jou?’
Ze vergelijken hun sleutels, briefjes met aanwijzingen en officiële stempels tot Brett een lichtje opgaat. ‘Wacht eens…’
Ze bladert en houdt een foto van pappa omhoog, ‘is dit jouw vader?’
‘Hè? Waarom loop jij rond met zijn foto?’
‘Luister,’ begint Brett, ‘mijn vader hield van eh, avontuurtjes…’  en eindigt met ‘…vandaar onze gelijkenis, wij zijn halfzussen, snap je? Hij gaf ons ook nog dezelfde naam, de komiek.’
‘Pfff, geen wonder dat moeder gescheiden is.’  ‘Wat dacht je van de mijne.’
Ze zwijgen, tegelijk en op dezelfde manier.
‘Jeetje. Hij is dus jouw en mijn vader  en heeft ons allebei zijn huis gegeven.’
Ze aarzelen, kijken elkaar aan.
‘Wat vind je ervan, samendoen dan maar? Ik heb al wat spullen.’
‘Tja, er zit niets anders op lijkt me.’
Zo is Spanje een dameskapsalon rijker.
COME 2 BRETT’S staat er op de ruit

© Bertie

Advertenties

Beppie’s vrijer

Toen Beppie haar nieuwste aanwinst thuis voorstelde keek moeder bedenkelijk naar zijn vettige haren en rafelige outfit.
‘Dag,’ groette ze, ‘ik ben Klazina’.
‘Haai, ik heet Carlos, maar je mag wel Klootje zeggen hoor.’
Moeder verbleekte.
‘ O, eh, ja. Kopje thee?’’
‘Ja lekker,  met een rummetje en een worsie erbij,’ antwoordde hij en keek verbaasd naar Beppie die hard begon te lachen. Moeder rechtte haar rug en ging naar de keuken, zette theewater op.  Rum, het idee.
Ze zuchtte. Bep, altijd dwars, nou deze jongen weer.

Er was geen worst. Dan maar wat anders.
Ze wikkelde een augurk in een plak rosbief. Legde het op een schaaltje en maakte het af met schijfjes komkommer.
Bij de thee reikte ze hem het schaaltje aan. ‘Sorry Carlos, de worst is op’. Verbluft keek hij naar de rosbief, gluurde voorzichtig onder de komkommer. Wantrouwig keerde hij de hap ’n paar keer om en beet er in.
Gespannen observeerde moeder zijn gezicht.
‘Weet je’, zei hij vertrouwelijk, ‘als je geen goeie slager hebt, moet je er ’n lik mosterd op doen, dat helpt tegen de taaiigheid’.
Hij keurde nogmaals.
‘En voor augurken moet je bij de haringboer wezen, die heeft de beste zure bommen. Lekker met palingworst, vis aan vis, weet je wel.’
Ongelovig keek ze van hem naar haar dochter die zich verslikte en haast niet meer bij kwam.
Beppie veegde de tranen uit de ogen en keek haar moeder uitdagend aan, maar die zweeg; ze weigerde zich te laten provoceren.
Beppie deed het er om, wist ze en er was niets wat ze er tegen kon doen.

De vrouwen

Twee vrouwen liepen kalmpjes door de winkelstraat.
Ze babbelden wat. Ontspannen. Ze waren beiden wat meer dan gemiddeld in leeftijd, ze trokken de aandacht en waren dat gewend.
Toch waren ze niet bijzonder knap.
Was het hun naar arrogantie neigende zelfverzekerdheid? Waardoor ze bijna achteloos de etalages voorbij liepen en niet in alle spiegels keken?
Hun amper verholen spot bij het zien van de internettende mensheid?
Ze accepteerden hun opvallendheid alsof het hen toekwam, zouden zelfs verbaasd zijn wanneer die wegviel.
Ze wandelden een lunchroom binnen, liepen automatisch naar de beste tafel en werden, als vanzelfsprekend, direct naar hun wensen gevraagd.
Geanimeerd bespraken ze tijdens de maaltijd het een en ander. Ook dat was iets wat bij hun gedrag hoorde, zij deden niet aan roddelen, zij voerden een gesprek over diverse onderwerpen en daar paste een medemens naadloos tussen, als terloops.
Kortom, zij gedroegen zich als welopgevoede vrouwen.
Wat was het dan waardoor er steelse blikken op hen geworpen werden?

Hoor de ober die de bestelling doorgaf:  ‘Zorg maar dat er niets aan mankeert,  de kakwijven zijn er.’

Hofperikelen (herzien)

 

Adam en Eva zijn in een crisis beland.
‘Ik vind er niks meer aan,’ moppert zij. ‘De fut is er uit. Geen vrijheid meer, en al die warme kleren aan je lijf.’
Adam zucht spijtig.  ‘Ik had het me ook anders voorgesteld.’
Eva schiet uit haar slof.
‘Ja dat snap ik. Alleen maar in de tuin blijven hangen, de hele dag verstoppertje spelen achter je vijgenblaadje, veel meer had je niet in je hoofd.’
Uitdagend kijkt ze naar hem.
‘Wat wil je dan, vrouw?  Je hebt toch zelf die appel aangenomen?’
‘Ja zeg, als je geen risico durft te nemen gebeurt er nooit wat. Dat zou jij niet gedaan hebben, hè schat?’ Giftig. ‘Maar jij zou ook niet benaderd zijn, de braafheid stond op je gezicht te lezen. Nog steeds, trouwens.’
Adam denkt na.
Dan zegt hij ‘maar jouw risico is wel de oorzaak van het leven zoals het nu is.’
Opnieuw vliegt Eva op. ‘Allicht, als ik in mijn eentje de appels uit het vuur moet halen. En wie at er graag van mee? Jij toch zeker!’
‘Nou, graag, graag, het is dat jij zo aandrong.’
‘Slappeling.’
Adam kijkt naar haar, hoort haar scherpe tong. Hij moet iets doen.
Verzoenend biedt hij aan. ‘Zal ik vanavond voor het eten zorgen? Kaarsjes erbij…’
Eva haalt onwillig haar schouders op.
‘Toe lief,  ik heb wel zin in ribstuk…’

Gitaar

Verlangend kijkt Lola naar de akoestische gitaar in een kraam op de rommelmarkt, precies wat ze altijd al wilde hebben.  ‘Meneer, wat moet’ie kosten?’
‘Vijf euro mevrouwtje.’
Dan zal het niet veel soeps zijn, piekert ze maar een muziekleraar kan hem stemmen, kan ze meteen een paar lessen nemen.
‘Ik neem hem.’

In haar flatje plukt ze aan de snaren; stofwolken vliegen op en verdoffen het geluid. Hm, niet wat ze wil horen.
Ze kijkt hem na waarbij een dikke prop in het klankgat een niesbui teweeg brengt. Ze schudt het instrument leeg en wrijft het op, nu kan ze echt beginnen. Wacht, de  onderste snaar even spannen, ze draait hem strak. Te strak, hij springt.  Oei, dat is jammer. Nou ja, het is er maar één.
Optimistisch probeert ze het nog een keer. Plingplongplihahahahaնèèng…. hmmm, niet gek. Sterker: ze voelt de energie door haar lijf stromen, vibrerend tot in haar binnenste voelt ze de klanken. Ze geniet buitengewoon. Waarom zou ze les nemen? Trommelend en plukkend maakt ze haar eigen muziek, zoveel kwaliteit had ze zichzelf nooit toegedacht.
Gelukzalig tokkelt ze door en door. Gegrepen door een nieuw bedacht ritme raakt ze in trance en speelt de rest van de dag tot ze in slaap valt.
De  ochtend geeft haar een nieuw lied in waarbij ze onvermoede stemhoogtes ontdekt. Alsof er zilveren klokjes in haar keel zitten, zo jubelend, vindt ze zelf.
Dat zal de mensheid vreugde brengen, stelt ze zicht voor. Blije mensen die mee gaan doen.

In de loop van de middag nemen de vibraties langzamerhand af, haar spel wordt trager, haar stem schor. Ze bedenkt een slaaplied; met lange rukken aan de snaren componeert ze ter plekke een dommelig geluid tot ze wordt overstemd door de bel die lang en doordringend overgaat.
Ha, daar zijn ze al, de blijen!
Verwachtingsvol doet ze open. Neuriënd, nog maar half bij zinnen kijkt ze naar buiten; daar ziet ze alle flatbewoners op haar stoep. Gekwelde gezichten, zichtbaar lijdende mensen. ‘Genade,’ smeken ze, ‘we gaan er en bloc onderdoor en verhuizen is geen optie. Ach buurvrouwlief, toe, zing niet meer en gooi dat jammerhout ook maar weg…’
Verbaasd luistert Lola naar het huilerige stemmen. Is het waar, bezorgt ze de mensen verdriet? Maar dan moet ze juist vrolijkheid brengen en ze reikt naar de gitaar.
Vlug stapt een politieagent naar voren.
‘Hola, hier dat ding. Ik neem hem in beslag en klaag U aan wegens geluidsoverlast en het toebrengen van psychische schade aan de U omringende bewoners. Tenzij U belooft nooit meer te zingen anders dan binnensmonds, en stopt met musiceren. Wat is hierop Uw antwoord? Nou?’ Hij dringt aan op een directe belofte, zich bewust van de drom mensen die naar hem luistert.
Lola heeft haar trots.
‘Heel goed. Nooit meer zal ik zingen, zelfs geen woord meer hardop uitbrengen.’
Zwijgend doet ze de deur dicht.
En zwijgend leeft ze tot ze dood gaat.

Iemand legt een gitaar zonder snaren op de steen.
-.

’t Is een vreemdeling zeker.

Een man neemt plaats in de dokterswachtkamer.  Hij ziet er opgeblazen uit, pafferig en pompeus tegelijk.
Rondkijkend merkt hij dat elkaars kwalen besproken worden.
Veel klachten lijken simpel. Verstopte neus, gipsen been, een kind met buikpijn, ze stellen niet veel voor maar het maakt hem niets uit. Hij heeft geduld en luistert naar alle verhalen. De tersluikse blikken zijn duidelijk, hij zal dra gevraagd worden. Een onbekende met een breed gzicht moet wel iets aparts zijn, verwacht hij.
De vrouw naast hem neemt het woord. ‘En wat heeft U, meneer?’
‘Een dik hoofd, mevrouw.’
De overige patiënten knikken bevestigend maar zeggen niets, ze wachten op de reactie van de woordvoerster.
‘Aha,’ zegt deze. Ze strijkt onwillekeurig over haar haar. ‘Hoe komt dat?’
‘Er zit een kolder in.’
‘Oh, echt waar?’ Weifelend schuift ze haar stoel een stukje op. Je weet maar nooit.
‘Nou en of.’
‘Goh, dat is ook wat.’ Ze schuift nog verder weg. ‘Wat moet de dokter daar aan doen?’
‘Een briefje voor de psychiater, U weet wel, graafwerk in de geest.’  Zijn ogen staan verwaand.
De vrouw slikt. ‘Dat zal een hoop gespit worden,’ zegt ze met een blik op zijn grote wangen.
De man toont zich gevleid. ‘Ja mevrouw, daar reken ik ook op.’
In daaropvolgende stilte kijkt men elkaar gegeneerd aan.
De dokter verschijnt: ‘Volgende patiënt.’ Allen wijzen opgelucht naar de bolle.
Ze wachten zwijgend tot de man zich weer laat zien.
Triomfantelijk houdt hij een verwijsbrief omhoog. ‘Afspraak met de neuroloog,’ legt hij uit, ‘waarschijnlijk heb ik een van de grootste kolders die hij ooit heeft gezien.’
Verbouwereerd staren de wachtenden hem na.