Ondergang. sf

Het water steeg.
Zeeën reikten naar land.
Trokken zich terug en namen  overtollig afval en uitgespuugde  kauwgummetjes mee.
De tijd liep door; de vloed kwam hoger, en hoger, stranden verzonken evenals de rest van alle werelddelen. De mensheid verging.

Eonen verstreken voordat de aarde tot rust kwam en zich opnieuw in land en water verdeelde en leven voortbracht.
Op verschillende plekken verschenen nieuwe mensen
De geschiedenis herhaalde zich, ze groeiden uit tot een intelligent en nieuwsgierig ras.
Vanzelfsprekend wilden ook zij alles weten over hun voorouders.
Ze betastten de aarde, onderzochten de zeëen, exploreerden de maan, ontdekten oude wetenschappen en determineerden diepbegraven botten.

Toen, zoekend in diepere lagen en troggen, stuitten ze op de onverklaarbare vondst van ondefinieerbare kleine voorwerpjes, divers van vorm maar ontegenzeggelijk vergelijkbaar.
Ze oogden gebleekt en hadden vaak diepe moeten. Niets in de oude informatie hielp hen verder tot ze bij een diepteanalyse de kern ontleedden.
Het bleek een eetbare soort te zijn, rubberachtig en rekbaar, opgebouwd uit weinig voedingsstoffen maar waarschijnlijk veelgebruikt door primitieven.

Eindelijk werd de ondergang van de toenmalige mens begrepen.
Deze kòn zich niet weren tegen de klimatologische wreedheden, onvoldoende gevoed als hij was door dit karige dieet.
Een droeve ontdekking.
==

Advertenties

Bedverhaal

De nacht arriveerde.
Ik voelde hem aankomen, geluidloos maar merkbaar trad hij binnen. Horen deed ik hem niet want stilte is zijn bekendste eigenschap die hij, tegelijk met zijn troostend vermogen, over de mensen uitspreidt en waarmee hij ze in slaap sust.
Ditmaal weerstond mijn gepieker hem.
Zeggenschap had ik er niet over; wakkerliggend en waakdromend wachtte ik op de nieuwe dag.
Toen vertrok hij.
‘Dag, nacht’, zei ik, vooruit kijkend naar de volgende avond.
Misschien zou hij dan winnen en ik slapen.

Geen woorden vinden

Ken je dat?
Een idee voor een nieuw verhaal hebben en het niet voor elkaar krijgen?
Hoe vaak je ook begint, het is niet in de juiste woorden te vangen.
Humor verzandt, de sensatie is lauw, het drama stelt niets voor.
Dan zit er maar één ding op: stoppen en iets anders doen.
Zo verstandig ben ik meestal niet, .
Ik blijf krabbelen en deleten.
Deze keer is het plan een sprookje in een verhaal te passen, of er omheen te schrijven.

Het gaat over een verliefd meisje dat door haar vader wordt opgesloten in een kamer met een dakkapelletje bij gebrek aan een toren en dat zij haar korte kapsel betreurt en zodoende de vrijer niet met haar haren op kan hijsen. Ze is verliefd op hem en verslaafd aan Grimm
De vrijer interesseert zich geen barst voor verhaaltjes, hij is op zoek naar haar kamer. Het huis heeft er twintig waarvan vijftien met een dakkapel die allemaal zijn geblindeerd en waarin nooit licht brandt. Hoe moet hij haar vinden? Hij gooit steentjes tegen elk raam, klinkers, tenslotte neemt hij stoeptegels. Echter, de vader hoort het, stormt naar buiten, vangt per ongeluk een tegel op met zijn voorhoofd waarna hij terneer valt, verpletterd en morsdood.
Nu kan de vrijer naar binnen. Helaas wordt hij tegengehouden door verborgen elektrisch draadwerk dat hem insnoert, hij graait woest om zich heen, het draad vliegt vonkend de gordijnen in.
Ach en wee, waar zitten de goede feeën nu? Aan hun wijn te sippen?
Uiteindelijk staat het huis in de fik, meisje wordt warm en gilt, vrijer zit vast en krijst, vlammen knetteren vurig.

Zoiets moest het worden maar het hoeft niet meer. Alles is al gezegd.
Alleen de moraal ontbreekt.
Die moet ik nog bedenken.
==

Zwartmans

Mocht ik dit al eens geplaatst hebben, lees er dan maar overheen.

Er was eens een man, zo zwartgallig dat je al naar werd van tien minuten luisteren.
In één gesprek vernoemde hij het kabinet,  vertelde van trieste buien  en over donkere dagen en dan was hij nog niet eens goed op dreef. Van de nieuwsberichten onthield hij slechts de allerberoerdste.
‘In het westen vonden ze een lijk,’ zei hij bijvoorbeeld, ‘met afgesneden oren, het mes stak er nog in.’
Zijn huishoudster wachtte nooit het einde van zijn vertelsels af en vluchtte naar keuken of stofzuiger zodra hij zijn mond opendeed.
Soms werd hij teveel overmand door de ellende die hij overal ontwaarde; dan ging hij naar bed, in de hoop een berustende slaap te vinden. Maar prompt werd hij bezocht door nare beelden en ook daar onthield hij voornamelijk de aller- allernaarste van.
‘Gruwelijke nachtmerries bezochten me; een roedel zwarte weerwolven met bebloede tanden…’
De huishoudster knikte en haastte zich naar de wasmand.
Gekweld keek hij haar na, alleen achterblijvend met zijn gedroomde weerwolven.
-De wereld is er ellendig aan toe-  verzuchtte hij.

Had hij, vraag je je af, in een zwarte wieg gelegen?

Onverwacht

 

Het loopt tegen zonsondergang.
De lucht wordt paarsig, de wind houdt zich gedeisd.
Stilte heerst, nadrukkelijk door een vogel die roept. Ik herken het geluid niet, een pauw?
Ik huiver.
De sfeer doet denken aan de griezelschemer van een Draculafilm waarin een zwarte koets komt voorrijden.
Een voertuig nadert.
Het is de melkboer.

Petrus speelt voor god

Zo af en toe ga ik op visite naar de hemel. Meestal met een /verzoek, deze keer had ik zin in een praatje.
Petrus fronste toen hij me zag. ‘Hallo,’ begon ik, ‘ik kom gezellig buurten.’
Aarzelend ging hij koffie zetten.
Langzamerhand ontdooide hij en haalde zelfs spritsen tevoorschijn.
‘Hmmmm, mijn lievelingskoeken.’
‘Dat weet ik,’ anrwoordde hij.
Daar keek ik van op. ‘Hoe kan dat nou, ik woon zo ver weg.’
Hij lachte gevleid. ‘Met een baas als de mijne leer je veel.’
‘Echt? Word je een beetje goddelijk.’
‘Nou, dat niet maar een paar van die kneepjes ken ik nu ook’
Opwindend! ‘Kun je die mij ook leren?’
Hij keek me aan, ernstig nu.
‘Nee, Bertjens, ik heb een eed op zwijgzaamheid moeten afleggen in verband met bedrijfspionage.Stel je voor dat iedereen er maar op los wondert en alles van elkaar weet. Dat moeten we niet hebben.’
‘Dat is toch juist goed? Geen stiekem gedoe meer, en…’ mijn stem stierf weg. Er zat toch een verkeerd kantje aan.
‘Niet zo onnozel denken Bertjens. Criminalteit gaat hoogtij vieren, het is niks. Tenslotte moet ìk ze beoordelen na hun dood.’
Een heftige reactie. Wantrouwig vroeg ik ‘Heb je dat helemaal zelf bedacht?’
‘Gewoon logisch denken. Daar heb ik de baas niet voor nodig.’
Ik piekerde. Dus god heeft eigenzinnig personeel. Dat is bekend van wat er op aarde rondloopt. Maar in eigen hemel?
‘Is je baas thuis? Ik zou wel eens willen weten hoe hij hier over denkt.’
Petrus dronk zijn kopje leeg en stond op. ‘Je moet gaan, ik heb het nog druk en mijn baas ook. Ik zal hem je groeten doen.’
Resoluut hield hij de poort open en bonjourde me weg.
Nou ja zeg, wat een vooruitzicht.
Klop je aan de hemelpoort, gaat de portier beslissen of je erin mag.  God had de sleutel beter aan een kloon van zichzelf kunnen geven.

Een vreselijk idee.
Ik ben blij dat het verzonnen is.

© Bertie

Man leeft op

Doelloos dwaalt hij door zijn huis. Als in een halfslaap.
Zijn huis?
Hij weet het niet zeker, nog is de dwingelandij voelbaar. Hij kijkt naar zijn ongeveegde voeten en huivert. Die stilte, de vertrekken lijken hun adem in te houden bij elke deur die hij opent. Verwachten ze een standje?
De kat zit op de salontafel en komt naar hem toe. Ze streelt langs zijn been. Vreemd. Voelt ze de sfeer? Misschien, waarschijnlijk heeft ze honger,
Afwezig aait hij het dier dat hem volgt bij iedere stap, hem bijna laat struikelen.
‘Eten poes? Kom maar.’
Bij het verlaten van de kamer meent hij een zucht van opluchting te horen en draait zich om. Het karpet? Zijn schoenen, ach ja, die had hij uit moeten trekken. ‘Sorry, vergeten.’
In de keuken zoekt hij poes’ etensbak en voer. Hij vindt niets, opent de koelkast, poes duikt erin en snaait een restje ham.
Geschrokken ziet hij het aan,  hij zal haar eten moeten zoeken. Waar zijn die spullen toch.
Natuurlijk, in de bijkeuken, zijn vrouw wilde haar niet binnen hebben.  Kattenharen, bah.
Het maakt hem wakker.
Daar hoeft hij geen rekening meer mee te houden.
Resoluut brengt hij etensbak en kattevoer naar de keuken.
‘Alsjeblieft, voortaan leef je binnen.’ Mandje en dekentje volgen. Poes slikt de laatste ham door en ziet het aan.
Hij kijkt rond, zijn oog valt op de deurmat, zijn pantoffels staan ernaast. Hij opent de buitendeur en gooit ze met kracht de tuin in, de buitenmat erachteraan.
Die zit. Dat gezeur altijd met dubbel voeten vegen en schoenen uit.
Opnieuw loopt hij de kamers in, trekt hier en daar een kussen scheef, schuift de gordijnen ongelijk en stampt extra hard de vloerkleden plat. Op het dressoir staat hun trouwfoto. Hij aarzelt, verscheuren? Later misschien, en legt het in een la.
Jammer dat er geen sigaren zijn.
Straks.
Gaandeweg verliest hij zijn onderdanigheid, uitgelaten dendert hij de trap op, zet een nachtkastje schuin en laat kastdeuren half open staan.
Hij kijkt rond en geeft een ruk aan het sprei. In de badkamer spuit hij een kloddertje tandpasta in de wasbak, veegt het half schoon met de handdoek. Hup in de wasmand, flodderig over de rand gedrapeerd.
Voldaan loopt hij de trap af. Een kop koffie heeft hij wel verdiend.
Bons!
Geschrokken, toch weer bang, tuurt hij door een kiertje de kamer in.
Waar de kat languit op de vensterbank ligt, onverschillig voor de sansevieria die op de grond ligt.
Hij bekijkt de troep.
‘Nou poes, je kunt ook overdrijven.’

Lange tanden

Een man zit aan zijn ontbijt.
Hij eet dikbelegde boterhammen. Met gemak bijt hij door de lagen, zelfs lijkt het of hij zijn tanden als spiesen gebruikt voor kaas en worst. Hij heeft een messcherp gebit en houdt van eten waarin hij moet bijten.
Hij eet letterlijk met lange tanden.
Tegenover hem zit een vrouw.
Ze ontbijten samen, ze doet althans een poging.
Tevergeefs, ze kan het geluid van zijn snijdende tanden niet negeren. Het is heel zachtjes, iets tussen gerasp en sjsjsj, meer een gevoel, als een bot mes in rauwe rosbief. Het is bijna een obsessie voor haar en ze verafschuwt het.
Ook zij eet met lange tanden.
Ze piekert.
Ze wil een einde maken aan hun verhouding en zoekt een geldige reden.
Kan ze met goed fatsoen zeggen dat zijn manier van eten haar afstoot? Dat zijn geknaag haar doet denken aan spitsmuizen, bevers en ratten?  Ze met vrijpartijen bang is dat hij zijn tanden ook in haar lichaam zet? Haar sidderen niet van lust is maar angst voor zijn scherpe gebit?
Is dat niet te pijnlijk?
Toch maar de geijkte smoes: de liefde is op, het was fijn zolang het duurde en tot nooit. Dag schat, het was een mooie tijd?
Ze besluit tot de smoes.
Na het ontbijt licht ze hem in. Veel woorden gebruikt ze, teveel, ze stottert nerveus.
Hij luistert en denkt.
Dan zegt hij ‘Laat maar, het is mijn manier van eten, ik weet het. Je bent niet de eerste.’
Beschaamd knikt ze. ‘Sorry…’
‘Wil je wachten tot vanavond? Alsjeblieft, die ene dag nog.’
Ze knikt weer. ‘Goed.’

De rest van de dag gebruikt ze voor het pakken van kleren en spullen die ze mee wil nemen. Ze maakt uit spijt- en schuldgevoel – hij kan er tenslotte niets aan doen – een superdiner klaar met extra harde groente en vlees.
En wacht.
Dan is hij er. Hij komt binnen met een vreemd gezicht.
‘Wat,’ begint ze.
Hij spert zijn mond wijd open en wijst.
Ze ziet de lege holte, nog bloederig.
‘Foor jou,’ mummelt hij.

© Bertie