Vrouw in eigen wereld

Een vrouw zit voor het raam. Ze heeft lege ogen.
Ze zijn niet nodig, ze ziet de dingen met haar geest.
Dat had ze zich aangeleerd toen ze haar verbeelding ontdekte.
Toen ze nog klein was, vijf of zes jaar misschien, hoorde ze voor het eerst een sprookje. Over een bos met kabouters in een holle boom die bevriend waren met alle dieren. Al luisterend vormden zich plaatjes in haar hoofd en nog lang bleef ze die avond wakker om naar de zelfbedachte illustraties te kijken. Als naar een filmpje.
Het was een grootse ontdekking. Weliswaar hebben alle kinderen filmpjes in het hoofd maar niet alle kinderen zetten de camera aan.
Dit meisje deed het wel.
Bij elk nieuw verhaal en liedje werkte haar hersentjes, zelfs bij taallessen en rekenen zag ze woorden en getallen zich in groepen vormen of achter elkaar lopen. Dat was maar wat handig.
Tot ze bij een van de eerste geschiedenisverhalen in huilen uitbarstte.
De arme mensen van vroeger zag ze, met kapotte kleren, en blote voeten in brandnetels, bleke kinderen in verschoten overalletjes die niet eens een autoped hadden en ach, het was allemaal zo zielig.
Juffrouw en ouders schrokken hevig van deze onbeheerste fantasie en trokken met kracht de teugels aan.
Het resultaat was matig. Het meisje vond het vreselijk te moeten wonen in de statische wereld die haar geboden werd. Zodra de noodzaak voor rede ontbrak vertrok ze naar haar eigen omgeving van beelden die ze naar eigen smaak inkleurde en liet leven.
Zo bewoog ze zich tenslotte met open maar nauwelijks ziende ogen.
Ze dagdroomde zich door de ochtenden, middagen, avonden, jaar na jaar na jaar.
Nu zit ze voor een raam en wuift af en toe. Naar de bonte bloemen die haar toelachen en bomen als vriendelijke reuzen. Geniet van de zon die met zachte vingers haar gezicht streelt.
In de zuster die haar een kopje thee brengt herkent ze een hartelijke lakei.
Want de camera in haar hoofd snort constant.

© Bertjens

Advertenties

Huishouden. Een vak apart.

Een niet al te pienter meisje trouwde. Daar ze niets wist van huishouden bezocht ze dagelijks haar moeder voor advies.
Dat was hard nodig.
Haar eerste portie aardappelen was niet te eten.
-Droog stomen, zei moeder, dan worden ze smakelijker.
Het meisje zette ’n pannetje water op, wachtte tot het flink dampte en deed  er de aardappelen in. Het stoomde en stoomde, het water verdampte en het stonk vreselijk. Terwijl haar man de keuken bluste rende ze huilend naar haar moeder.
–Weet je wat, zei die, hou jij je maar bezig met de was dan kom ik wel voor jullie koken.
Ook deze raad werd nauwgezet opgevolgd.
Het niet al te pientere meisje was wekenlang doende met de was; ze droogde en streek en waste tot alle kleren versleten waren en zij en haar man in lompen gehuld gingen.
Weer greep moeder in.
–Ga je huis maar poetsen, raadde ze, en doe tussendoor een  paar boodschappen.
Het meisje ging onmiddellijk aan de slag en poetste de kamer, de keuken, de kelder en alle andere vertrekken en daarna de buitenkant en de schoorsteen en de dakpannen.  Af en toe liet ze haar emmer zeepsop in de steek om naar de buurtsuper te gaan. Dan kocht ze zes liter Ajax en twaalf dweilen, of zeventien sponzen, zich verbazend over de snelle sleet.
Het werd werkelijk een onhoudbare toestand. De hele straat liep uit en keek hoe ze de regengoten sopte en de voorgevel stofzuigde en de dorpstherapeut vermoedde een onverwerkte relatie met de stofdoekenmand, kortom, het werd een bespottelijke vertoning tot de burgemeester een samenscholingsverbod uitvaardigde en de moeder opriep.
Die liet, ten einde raad, het huwelijk ontbinden en stuurde haar dochter naar ’n klooster.
En daar zit ze nu nog.
Echt waar.

Oude winters

Iemand pakt de kolenkit en een stapel houtjes.
Er wordt gestookt bij het leven.
Maar het blijft koud, in slaapkamers is het Siberisch met ijzige temperaturen. Sloffen en pyjama’s worden voorverwarmd op de kachelpijp
‘Ach wat, zegt vader, wij hadden vroeger sneeuw op de bedden en sliepen gewoon door.’
Gemok.
– boven komt ook sneeuw naar binnen – dekens waaien zowat weg – ’s morgens ijspegels aan de voeten – we vriezen nog dood –
Moeder bemiddelt.
‘Er ligt genoeg hout, er zijn kolen zat. We kunnen best wat harder stoken en de trapdeur openzetten. Dat scheelt.’

’s Avonds kleumt de kring rondom de kachel die bijna op springen staat. Gezichten kleuren rood, ruggen rillen.
Iemand staat op en doet de trapdeur dicht. ‘Het trekt zo.’  Er wordt geknikt.
Vader zegt niets, hij dut langzaam in.
Moeder breit. Ze luistert naar geginnegap over ijstenen en sneeuwgraven en lacht om de stille huiver, ze sust de jongste.
Allen gapen maar gaan niet naar bed.
Stel dat ze in de slaap bevriezen.


Een rare dag

Vanmorgen kwam ik een buurhond tegen. Ik begon een praatje (dat doe ik meestal).
‘Zo, beessie, ben je nog steeds braaf?’ en krauwde hem achter zijn oren.
Hij kwispelde als een gek en spinde luid.
‘Wat?’ verbaasd stopte ik en hij reageerde meteen: miauwww.
Ik keek rond of ik de eigenaar zag maar hoorde alleen wrrrraf achter een heg.
Zeker iets nieuws,  die mensen hebben alleen ’n eend, wist ik.
Jeetje, even kijken daar; ik liet beessie staan en gluurde door de heg.
Wat ik zag: de eend zwom in de vijver, blaffend naar een paar vissenbekjes die nèt boven het water uitstaken en -je gelooft het niet-  het do-re-mi mekkerden.
Mijn ogen en oren werden groot! Spinnende hond en blaffende eend, geitevissen.
Aarzelend liep ik een paar stappen.
Op dat ogenblik tjilpten er een groepje mussen; blij met dit normale geluid wendde ik me naar een boom. Hm, ze waren al  gevlogen. Maar.. ik hoorde ze toch? Toen merkte ik het, een toompje kippen scharrelde kwetterend door de voortuin van S.
De haan wandelde er loeiend om heen.
Dit werd me teveel.
Ik moest  weg, meteen, ik draaide me om en rende naar huis.
Bij de achterdeur zat Tinus, een bevriende kater.
‘Sorry Tien,’ hijgde ik ‘ik heb geen tijd..’
‘Ja zeg,  ik wil mijn plakje worst,’  antwoordde hij kwaad.
‘Nee,’ huilde ik bijna, vloog de trap op en kroop in bed.
Met het dekbed over mijn hoofd.
Ik durf niet meer naar buiten.

Simon, blind date

Spannend was het.
Al vroeg ze zich af of het verstandig was, een wildvreemde man van wie ze zich geen voorstelling kon maken. R. kon wel zeggen dat hij uiterst betrouwbaar was maar over het uiterlijk hield ze zich op de vlakte. Ze had vooral benadrukt dat ze hem een lieve vriendin gunde.
Ze nam aan dat R wel wist dat ze niet met een broodmagere ribbenkast of een ouwe speknek moest aankomen maar nu, nu ze wachtte en de tijd haar opvrat werd ze zenuwachtig.
Simon was geen slechte naam maar wat als hij scheel omhoog keek? Een bochel had? Extreme stinkvoeten?
Hoe haar houding te bepalen?
Ze zuchtte. Het duurde te lang, zou ze niet beter naar huis gaan? Besluiteloos keek ze rond. Een etalage vertoonde halloweenpakken, de een nog akeliger dan de ander, met puisten en bloed.
Had ze daar maar eerder aan gedacht, een grap was misschien aardig geweest.
Voetstappen naderden, achter haar stopten ze.
Ze draaide zich om en schrok bij het zien van een afstotelijke man.
‘Ga weg, ik wacht op iemand.’ Ze rilde, lelijker masker had ze niet eerder gezien.
Ze staarde naar de vreemde combinatie van gewone kleding bij een zwerenkop met spookogen.
Het wezen keek haar aan. ‘Dat weet ik. Ik ben Simon. Kom, we gaan thuis een glas drinken.’
Kon ze dat wel doen? Iemand die met een griezelmasker naar een afspraak ging, was dat niet raar? Maar R kende hem en zij was vertrouwd.
Onwilig liet ze zich bij de hand nemen.
Hij bracht haar naar zijn woning, noodde haar aan tafel en schonk wijn in.
‘Santé.’
Ze proostten.
‘Wil je je masker niet afdoen? Of is het schmink?’
Hij lachte. Zijn mond trok scheef. ‘Dat kan ik niet doen.’
‘Waarom niet? Dit is geen halloweenparty.’
Hij zweeg.
Ze dronk haar glas leeg en stond op.’Hiervoor ben ik niet in de stemming. Welk adres is dit?’ Ze toetste een taxicentrale in.
Hij gaf het haar en zweeg opnieuw.
Iets in zijn oogopslag raakte haar. ‘Bel me voor een nieuwe date. Oké?’
Hij knikte.
De taxi was er. In een impuls liep ze om de tafel en zoende hem op zijn haar.
‘Dag Simon, tot ziens.’
Even leek het of hij haar tegenhield, ze wachtte, zijn hand viel neer.

‘Hallo R, met mij. Als je nog eens wat weet met die Simon. Ik heb het een kwartier met hem uitgehouden. Hij had een afschuwelijk halloweengezicht en weigerde het weg te wassen, ik….’
‘Ach, ik hoopte toch zo dat je begrip zou hebben.’
‘Waarom? Zijn gezicht willen zien, dat is toch normaal? Is hij zo lelijk?’
‘Hij…’
‘Nou, wat is er dan?’
‘Hij was niet geschminkt.’

Vader en dochters

Ontspannen zoekt Brett de juiste afslag.
Spanje. Vrijheid. Nieuw werk, nieuw land, nieuw leven.
‘Een eigen huis, een plek onder de son,’ zingt ze. Goed,  pappa’s huis maar voorlopig is ze eigen baas en ze gaat ervan genieten, YES.
Het staat leeg en zij mag er in. Lieve pappa, haar zo te verwennen. Hij mag dan teveel vrouwenvlees hebben,voor zijn dochter heeft hij alles over; misschien omdat ze zoveel op hem lijkt? Nou ja, ze vergeeft hem sowieso zijn vriendinnen.
Daar is ze dan, weg van dat stomme baantje bij de helpdesk en ontsnapt aan die suffe Jack. Hij durfde niet mee, hij had het niet op buitenlanders, de lul.
Zij heeft durf genoeg, ze zal de Spanjaarden eens wat laten zien. Met een spiksplinternieuw kappersdiploma op zak gaat ze het maken.
Opgewonden stapt ze uit en bekijkt het huis.
Blij wil ze de deur open maken als er een meisje naar buiten komt. ‘O pardon,’ zegt Brett en doet automatisch een stap opzij. ‘Sorry,’ zegt het vreemde kind tegelijkertijd en zet eveneens die stap.
Wat is dit?  Onbewoond toch??
Nieuwsgierig kijken ze elkaar aan. Trekken dan hoog de wenkbrauwen op.
Hoe kan dat?  Is dit een spiegel?  Verbluft is hun staren, naar eendere ogen, mond, wenkbrauwen.
‘Wie ben jij,’ vraagt Brett tenslotte.
‘De nieuwe bewoonster, Brett. En jij?’ antwoordt het meisje. In het Nederlands.
‘Ik ook.’
‘Maar…’
‘Ik heet ook Brett,  heb de sleutel en ga hier een kapsalon openen.’
‘Hoe kom je op mijn idee? Dit huis is van pappa. Ik heb alle papieren, waar zijn die van jou?’
Ze vergelijken hun sleutels, briefjes met aanwijzingen en officiële stempels tot Brett een lichtje opgaat. ‘Wacht eens…’
Ze bladert en houdt een foto van pappa omhoog, ‘is dit jouw vader?’
‘Hè? Waarom loop jij rond met zijn foto?’
‘Luister,’ begint Brett, ‘mijn vader hield van eh, avontuurtjes…’  en eindigt met ‘…vandaar onze gelijkenis, wij zijn halfzussen, snap je? Hij gaf ons ook nog dezelfde naam, de komiek.’
‘Pfff, geen wonder dat moeder gescheiden is.’  ‘Wat dacht je van de mijne.’
Ze zwijgen, tegelijk en op dezelfde manier.
‘Jeetje. Hij is dus jouw en mijn vader  en heeft ons allebei zijn huis gegeven.’
Ze aarzelen, kijken elkaar aan.
‘Wat vind je ervan, samendoen dan maar? Ik heb al wat spullen.’
‘Tja, er zit niets anders op lijkt me.’
Zo is Spanje een dameskapsalon rijker.
COME 2 BRETT’S staat er op de ruit

© Bertie

Beppie’s vrijer

Toen Beppie haar nieuwste aanwinst thuis voorstelde keek moeder bedenkelijk naar zijn vettige haren en rafelige outfit.
‘Dag,’ groette ze, ‘ik ben Klazina’.
‘Haai, ik heet Carlos, maar je mag wel Klootje zeggen hoor.’
Moeder verbleekte.
‘ O, eh, ja. Kopje thee?’’
‘Ja lekker,  met een rummetje en een worsie erbij,’ antwoordde hij en keek verbaasd naar Beppie die hard begon te lachen. Moeder rechtte haar rug en ging naar de keuken, zette theewater op.  Rum, het idee.
Ze zuchtte. Bep, altijd dwars, nou deze jongen weer.

Er was geen worst. Dan maar wat anders.
Ze wikkelde een augurk in een plak rosbief. Legde het op een schaaltje en maakte het af met schijfjes komkommer.
Bij de thee reikte ze hem het schaaltje aan. ‘Sorry Carlos, de worst is op’. Verbluft keek hij naar de rosbief, gluurde voorzichtig onder de komkommer. Wantrouwig keerde hij de hap ’n paar keer om en beet er in.
Gespannen observeerde moeder zijn gezicht.
‘Weet je’, zei hij vertrouwelijk, ‘als je geen goeie slager hebt, moet je er ’n lik mosterd op doen, dat helpt tegen de taaiigheid’.
Hij keurde nogmaals.
‘En voor augurken moet je bij de haringboer wezen, die heeft de beste zure bommen. Lekker met palingworst, vis aan vis, weet je wel.’
Ongelovig keek ze van hem naar haar dochter die zich verslikte en haast niet meer bij kwam.
Beppie veegde de tranen uit de ogen en keek haar moeder uitdagend aan, maar die zweeg; ze weigerde zich te laten provoceren.
Beppie deed het er om, wist ze en er was niets wat ze er tegen kon doen.