Man leeft op

Doelloos dwaalt hij door zijn huis. Als in een halfslaap.
Zijn huis?
Hij weet het niet zeker, nog is de dwingelandij voelbaar. Hij kijkt naar zijn ongeveegde voeten en huivert. Die stilte, de vertrekken lijken hun adem in te houden bij elke deur die hij opent. Verwachten ze een standje?
De kat zit op de salontafel en komt naar hem toe. Ze streelt langs zijn been. Vreemd. Voelt ze de sfeer? Misschien, waarschijnlijk heeft ze honger,
Afwezig aait hij het dier dat hem volgt bij iedere stap, hem bijna laat struikelen.
‘Eten poes? Kom maar.’
Bij het verlaten van de kamer meent hij een zucht van opluchting te horen en draait zich om. Het karpet? Zijn schoenen, ach ja, die had hij uit moeten trekken. ‘Sorry, vergeten.’
In de keuken zoekt hij poes’ etensbak en voer. Hij vindt niets, opent de koelkast, poes duikt erin en snaait een restje ham.
Geschrokken ziet hij het aan,  hij zal haar eten moeten zoeken. Waar zijn die spullen toch.
Natuurlijk, in de bijkeuken, zijn vrouw wilde haar niet binnen hebben.  Kattenharen, bah.
Het maakt hem wakker.
Daar hoeft hij geen rekening meer mee te houden.
Resoluut brengt hij etensbak en kattevoer naar de keuken.
‘Alsjeblieft, voortaan leef je binnen.’ Mandje en dekentje volgen. Poes slikt de laatste ham door en ziet het aan.
Hij kijkt rond, zijn oog valt op de deurmat, zijn pantoffels staan ernaast. Hij opent de buitendeur en gooit ze met kracht de tuin in, de buitenmat erachteraan.
Die zit. Dat gezeur altijd met dubbel voeten vegen en schoenen uit.
Opnieuw loopt hij de kamers in, trekt hier en daar een kussen scheef, schuift de gordijnen ongelijk en stampt extra hard de vloerkleden plat. Op het dressoir staat hun trouwfoto. Hij aarzelt, verscheuren? Later misschien, en legt het in een la.
Jammer dat er geen sigaren zijn.
Straks.
Gaandeweg verliest hij zijn onderdanigheid, uitgelaten dendert hij de trap op, zet een nachtkastje schuin en laat kastdeuren half open staan.
Hij kijkt rond en geeft een ruk aan het sprei. In de badkamer spuit hij een kloddertje tandpasta in de wasbak, veegt het half schoon met de handdoek. Hup in de wasmand, flodderig over de rand gedrapeerd.
Voldaan loopt hij de trap af. Een kop koffie heeft hij wel verdiend.
Bons!
Geschrokken, toch weer bang, tuurt hij door een kiertje de kamer in.
Waar de kat languit op de vensterbank ligt, onverschillig voor de sansevieria die op de grond ligt.
Hij bekijkt de troep.
‘Nou poes, je kunt ook overdrijven.’

Advertenties

Lange tanden

Een man zit aan zijn ontbijt.
Hij eet dikbelegde boterhammen. Met gemak bijt hij door de lagen, zelfs lijkt het of hij zijn tanden als spiesen gebruikt voor kaas en worst. Hij heeft een messcherp gebit en houdt van eten waarin hij moet bijten.
Hij eet letterlijk met lange tanden.
Tegenover hem zit een vrouw.
Ze ontbijten samen, ze doet althans een poging.
Tevergeefs, ze kan het geluid van zijn snijdende tanden niet negeren. Het is heel zachtjes, iets tussen gerasp en sjsjsj, meer een gevoel, als een bot mes in rauwe rosbief. Het is bijna een obsessie voor haar en ze verafschuwt het.
Ook zij eet met lange tanden.
Ze piekert.
Ze wil een einde maken aan hun verhouding en zoekt een geldige reden.
Kan ze met goed fatsoen zeggen dat zijn manier van eten haar afstoot? Dat zijn geknaag haar doet denken aan spitsmuizen, bevers en ratten?  Ze met vrijpartijen bang is dat hij zijn tanden ook in haar lichaam zet? Haar sidderen niet van lust is maar angst voor zijn scherpe gebit?
Is dat niet te pijnlijk?
Toch maar de geijkte smoes: de liefde is op, het was fijn zolang het duurde en tot nooit. Dag schat, het was een mooie tijd?
Ze besluit tot de smoes.
Na het ontbijt licht ze hem in. Veel woorden gebruikt ze, teveel, ze stottert nerveus.
Hij luistert en denkt.
Dan zegt hij ‘Laat maar, het is mijn manier van eten, ik weet het. Je bent niet de eerste.’
Beschaamd knikt ze. ‘Sorry…’
‘Wil je wachten tot vanavond? Alsjeblieft, die ene dag nog.’
Ze knikt weer. ‘Goed.’

De rest van de dag gebruikt ze voor het pakken van kleren en spullen die ze mee wil nemen. Ze maakt uit spijt- en schuldgevoel – hij kan er tenslotte niets aan doen – een superdiner klaar met extra harde groente en vlees.
En wacht.
Dan is hij er. Hij komt binnen met een vreemd gezicht.
‘Wat,’ begint ze.
Hij spert zijn mond wijd open en wijst.
Ze ziet de lege holte, nog bloederig.
‘Foor jou,’ mummelt hij.

© Bertie

man – stoel

Een man zet zich
Hij is zwaar en past met moeite tussen de armleuningen.
De stoel zucht.
De man hoort het niet, gewend als hij is aan geluiden. Zijn lichaam zit er vol mee, het borrelt, kleddert, drupt en kraakt.
De stoel heeft genoeg van de overlast, slijtage plaagt hem en hij speurt naar wraak.
Hij zoekt en vindt een loszittende spijker, wurmt hem rechtop onder de zitting en wacht.
De man komt binnen, de stoel grijnst een boosaardig gna-gna-gna.

Er staat een ambulance.
De broeders komen naar buiten , zij dragen een stoel waarop een dikke man zit. Er stroomt bloed langs de poten, de man huilt en vloekt.
De stoel ook maar zijn ergernis wordt niet gehoord.
Wie luistert er nu naar een stoel.

Goeie god

Na enige aarzeling  heb ik de reis naar god weer eens ondernomen.
Wederom werd ik vriendlijk ontvangen al ontging me Petrus’ verholen zucht niet.
‘En, Bertjens, heb je weer wat?’ vroeg hij.
Hij humde geërgerd, duimde op zijn iPod, knikte en verwees me naar de spreekkamer.
God kwam me tegemoet. ‘Is hij chagrijnig?’ vroeg ik, wijzend naar Petrus.
‘Dag Bertjens,’ groette god, ‘en nee, hij vind het alleen overdreven dat jij regelmatig hier komt.’
“Nou zeg, één keer voor een nieuw lontje, ’n keer om te zien of het hier de moeite waard was, één keer met mijn raket, een keer…’
‘Ho maar, ik weet het nog. De kwestie is dat de mens, normaal gesproken, hier aanklopt wanneer hij/zij dood is. Alleen jij niet. Je hebt geen geduld.’
‘Dat is dan mooi stom van de mensen’, zei ik, ‘wat doen ze aan de mankementen tijdens hun leven?’
‘Verdragen, Bertjens, eventueel met een psychologische steuntje. Dat leert een mens van priesters.’
Ik keek hem aan. ‘Ga weg…’
Ongemakkelijk draaide hij op zijn stoel. ‘Ehm, dat is de bedoeling. Maar wat kan ik voor je doen deze keer.’
‘Een verbeterd geheugen alstublieft, ik vergeet meer dan nodig is. Zelfs mijn gat als dat niet vastzat.’
Hij knikte, ‘dat zei je moeder ook al. Ik wil het je wel geven maar dan krijg je àlles, realiseer je je dat?’
‘Geeft niets.’ Ik blufte omdat ik mijn zin wilde hebben.
‘Goed. Veel plezier dan maar.’ Hij zegende me en ik vertrok.

Eenmaal thuis genoot ik van de verbetering. Het begon  heel goed.
Niet meer zoeken naar dat pannetje, hoelang de aardappels kookten, sleutels terug, het was werkelijk een groot gemak.
Opgewekt vierde ik mijn nieuwe geheugen met een bezoek aan de bibliotheek.
Maar, hoe, wat gebeurde er? Bij elk gelezen boek speelden verhalen in mijn hoofd, schrijversnamen, uitgeversinformatie
‘Hallo,’ zei iemand die ik kende, ik draaide me om en ook van hem herinnerde ik me alles.
Iedereen op wie ik mijn blik richtte, elk voorwerp dat ik bekeek, zette mijn geheugen in werking.
Dit was vreselijk.
Terneergeslagen keerde ik huiswaarte en appte god.
Kreeg ik waakhond Petrus weer.
‘Sorry maar dit was niet wat ik bedoelde. Ik word gek,’ typte ik.
Hij gniffelde.
Ik zag hem bellen. ‘Baas,’ hoorde ik, ‘die hebberig vrouw weer, ze is niet tevreden. Zal ik haar een griepje sturen?’
‘Foei Petrus. Zeg haar dat ik het geheugen zal aanpassen naar behoefte en groet haar hartelijk. Het is best een aardig mens.’
‘Hmgrmompel….’
Hij wendde zich naar mij.
‘Je krijgt je zin weer, god is nu eenmaal wereldvreemd.’

Het haasje

Even buiten het dorp kwam ik de paashaas tegen.
Hij keek teleurgesteld en droeg een lege mand.
-Waar ga je naar toe?-  vroeg ik.
-Weg, zei hij stuurs, zo ver mogelijk. Ik laat me door de mensen niet meer voor de gek houden-
Geschrokken keek ik hem aan, -Wat deden we verkeerd?
– Dan huren ze me in om eieren te leggen, krijg ik het met veel kunst- en vliegwerk voor elkaar en denk je dat ze dankbaar zijn? Ze lachen alleen maar.-
Woest was hij (het was een rammelaar).
-Nou ja, aarzelde ik, het is natuurlijk erg ongeloofwardig. Een haas die eieren legt, een mannetje nog wel….
-En jullie dan? Een zwangere man, een meisje met een konijn als gids, vind je dat wel normaal? (Schwarzenegger in de film Junior en Alice in Wonderland, begreep ik).
-Maar, legde ik uit,  dat is niet echt, het is verzonnen. Net als de kerstman en Sinterklaas. En zo ook de paashaas, sorry.
Zijn boosheid maakte plaats voor  onbegrip.
-Verzonnen? stamelde hij. Ik? Meent U dat nou?
Ik kreeg meelij met hem, toch moest de  waarheid gezegd worden.- Jazeker, let maar eens op.
Hard kneep ik hem in zijn buik. -Huh? Hij keek naar mijn hand, kneep zelf,  nog harder.Hij voelde niets.
Opluchting verscheen op zijn gezicht.  -Dan hoef ik ook niet boos te zijn. Hoera!
-Zal ik je dan maar wegmaken? stelde ik voor en pakte alvast mijn gum.
-Doe maar, en die mand ook.
Ik veegde alles weg.
Toen alleen zijn hoofd nog over was knipoogde hij: bedankt en tot volgend jaar!

Levensloop in zes fasen

Gapend en glimlachend werd de peuter wakker na zijn middagslaapje en stak de armpjes uit naar de vrouw die hij bij zijn ledikantje verwachtte. Er was niemand.

Blij en vol verwachting rende het kind na de eerste schooldag naar buiten waar het zijn moeder dacht. Er stond niemand.

Hoopvol zocht de jongen op de nieuwe school naar een verwante eenzame ziel. Hij vond niemand.

Gespannen wachtte het joch op een reactie na zijn komische act op een examenfeest. Er lachte niemand.

Opgewonden paradeerde de knul voor een groep jonge meiden op het strand. Er keek niemand.

Wrokkig sprong de man voor de trein. Toen kwamen er veel mensen.

© Bertie

Beer op vrijersvoeten. Verhaaltje.

Er viel sneeuw.
Heel weinig.
Er liep een donkerbruin berenjong door de straat, hij maakte sprongetjes om de vlokken te vangen. Het haalde niet veel uit, slechts enkele waren zichtbaar op zijn pels.
Na een half uur gaf hij het op en zette zich op een muurtje.
Een van de buurkatten kwam bij hem zitten.
‘Wat is er aan de hand?’ begon hij nieuwsgierig. ‘Zit je bij een ijsrevue?’
‘Nee hoor, ik probeer wit te worden. Ik wil een ijsbeer zijn.’
Bevreemd staarde de kat hem aan.
‘Een ijsbeer? Hier? Ga naar het noorden waar de sneeuw is.’
De beer rilde, ‘daar is het zo koud.’
‘Maar dat hoort zo voor ijsberen, wist je dat niet?’
‘Jawel maar ik probeer het op deze manier. Dit is nog net draaglijk.’ Hij zag de kat fronsen, ‘denk je dat het lukt?’ vroeg hij hoopvol.
De kat zag dat het nog een heel jong jong was..
‘Waarom wil je het?’ vroeg hij.
‘Eh, ik eh, mijn vriendin, ze is verliefd op Knut en treurt nog steeds om zijn dood en nu dacht ik dat als ik wit werd en zij op mij ….’ verlegen viel hij stil.
Tjeem, dacht de kat, zwaar onder de indruk. ‘Dit is de ware liefde,’ sprak hij plechtig terwijl hij de berejongen over de rug streek. ‘Maar zoiets werkt echt niet. Weet je vriendin hier van?’
‘Nee, ik had het als verrassing bedoeld. Tja, als het niet kan ga ik maar naar huis.’
‘Komkom,’ antwoordde de kat, ‘niet zo droevig. Weet je wat? Ik leen je een witte bontjas en die trek je aan bij thuiskomst. Dan heb je nog altijd de keus: wil ze je in’t wit of in je eigen kleur. Nou? Strak plan?’
De beer sprong op. ‘Ik vind je geweldig, waar heb je de jas?’ want nu kreeg hij haast.
De kat haalde vrouwtjes’  mantel van de kapstok, ‘alsjeblieft,’  zei hij, ‘past ‘ie? Mooi. Stuur hem later terug en graag met een foto van je vriendin. Afgesproken?’
Jubelend nam het jong de jas aan. Hij  omarmde de kat en likte blij, beloofde foto’s en bezoekjes en vakanties  en doopnamen en vertrok, zwaaiend naar de schaarse sneeuw.
De kat trok zich spinnend terug achter het raam,  verwarmd door zijn goede daad.  Zo niet het vrouwtje dat huilend de politie melding maakte van diefstal, ‘hij was pas nieuw’,  snikte ze.
Ach, nou ja.

Enige tijd later verscheen een  lang bericht op het tablet van de kat.
‘Je weet niet hoe gelukkig we zijn, vriendin is nu model….’  De bijlage bevatte tientallen foto’s van een knappe berenmeid in de witte jas, van links, van rechts, met wapperende wimpers en halfopen sexy bek, met en zonder oorbellen, blinkende tanden, knipogend.  Op de achtergrond steevast de vrijer, verlegen maar trots haar tas dragend. ‘ps we zijn zwanger!!!’
Over teruggave van de jas werd niet gerept.
‘Ach,’ dacht de kat grootmoedig, ‘ze zijn vast gelukkig.’

 

Verveeld verhaaltje

Het meisje verveelde zich altijd.
Er was niets dat ze graag deed. Baantjes, clubs, stappen, ze meed het.
Soms ging ze de straat op, maar ook daar was niets wat haar kon bekoren. Meestal ging ze vroeg naar bed, gapend van verveling.
Ze probeerde de sleur te doorbreken door samen te wonen met een man,  toen met een vrouw,  daarna met alletwee tegelijk om uiteindelijk weer alleen te blijven want het was een suffe beweging.
Ze besloot te gaan reizen. Het hielp niet. Gedoe met folders, boeken, bagage, inchecken, hotels en meer hing haar direct al de keel uit en ze kocht zich een eigen raket.
Daarmee vertrok naar bijna eindeloze verten in het heelal en ontdekte onderweg een paar spannende nieuwe planeten. Mooi, maar het spelletje van exploreren en exploiteren werd al gauw een gewoonte en ze richtte haar aandacht op de hemel.
Helaas, die was afgesloten.
Ze kwam er niet in, de portier was duidelijk geïnstrueerd:
GEEN TOEGANG VOOR LEVENDEN. Heel vervelend.
Ze haalde de schouders op en zette koers naar beneden, aarzelde halfweg even bij het vagevuur maar toen ze de saaie bedoening zag van geen-vlees-en-geen vis racete ze regelrecht naar de hel, bekeek de baas van het spul en de bewoners.
Ze vond er niets aan; is dat alles, dacht ze, een doorlopend brandje? Nou, dan kon ze net zo goed naar huis gaan en een pak lucifers aansteken.
Intussen voelde ze de jaren. Ze nam haar intrek in een bejaardenhuis.
Al niksende werd ze erg oud.
Op haar éénhonderdenzevende verjaardag las ze geërgerd het zoveelste duffe telegram van de koning en verzuchtte, ‘Gatverdarrie, ik verveel me dóód.’
En ze stierf.
De begrafenis was een dooie boel.
©

Verhaaltje voor het slapen gaan

De verjaardag naderde. Liet was druk met voorbereidingen voor wilde plannen. Ze zou de party gebruiken om Luup aan de haak te slaan.
Ze was verliefd; ze wilde hem.
Hij merkte haar nooit op, leek dromerig en verlegen. En altijd vertrok hij als een van de eersten op feestjes maar, besloot ze, vanavond zou ze hem vasthouden.

Uitgekiende hapjes en dranken brachten de stemming erin.  Luup bleef bedeesd terwijl ze zelf tintelde van spanning. Ze raakte hem telkens aan, vulde zijn glas en bord het eerst.
Hij reageerde niet. Hij lette alleen op de klok.
Goeie god, dacht ze, wanneer komt hij tot leven?
Uit wanhoop  nam ze grote slokken uit een whiskeyfles. Jij ook? bood ze aan.
Misschien werkte het gunstig op zijn libido.
‘Liet’, zei hij na een een paar teugen, ‘ik wil zo graag met je praten..’
‘Jaaaaa?’ koerde ze, ‘Vertel …’
‘Eh, ik vind je mooi, en zo, maarre..’
Tranen van ontroering en alcohol kwamen in haar ogen.
‘Wat heerlijk Luup, kom mee, laten we naar boven gaan voor de details’.
‘Wacht nou even, er is iets…’ Hij keek haar aan, ongermakkelijk.
‘Kom op Luup, de gasten vermaken zich wel’.
‘Je weet niet… luister dan. Het is laat en ik moet echt weg.’
‘Ik weet genoeg schat’. Resoluut trok ze hem mee de trap op en duwde hem naar haar bed.
‘Maak het je gemakkelijk. Twee minuten.’
Gelaten liet hij zich achterover vallen.
In de badkamer vroeg ze zich af wat hij had willen zeggen.
Ze zou het hem vragen. Morgenochtend. Nu was het feest, háár feest.
Haastig ging ze naar de slaapkamer en zag dat hij al diep onder de dekens lag.
Hij trok ’n beetje met zijn benen.
Ze glimlachte; liefdesdronken natuurlijk, net als zijzelf.
Ze dook onder de dekens en kroelde tegen zijn warme lijf.
‘Wat ben je heerlijk ruig’, mompelde ze tegen zijn harige borst.
Hij vloekte, gromde, en gooide de dekens van zich af.
Zijn ogen gloeiden groenig, klauwige nagels blonken en grote tanden blikkerden. Hij grauwde.
‘Had me laten uitspreken stom mens, nu is het te laat’ en hij  huilde als de weerwolf die hij was.

© Bertie

Papa wandelde.

Hij werd gevonden in de rivier,  bij een van de pijlers van de spoorbrug. De huisarts zei niet veel meer dan ‘Waarschijnlijk sprong hij zelf.’
Mama was sprakeloos.
Na de begrafenis verbrak ze de stilte
– Waarom deed hij dat nou? Hj had niets te mopperen. Zijn kleren altijd verzorgd, eten op tijd klaar, huis gepoetst…. –

Zo vraagde en klaagde ze, overtuigd van haar schuldeloosheid.
Dochter zweeg, dacht aan papa’s protesten en mama’s antwoorden.
Hij wilde graag een strandvakantie (als jij zo nodig naar zee wilt ga je maar alleen), hekelde de gescheiden slaapkamers (ieder een eigen kamer is hygienischer), zou in een restaurant willen eten, (nergens voor nodig, ik kook zelf), af en toe een borreltje drinken (met verjaardagen krijg je toch een biertje?).
Mama nam alle besluiten op de enige manier die ze kende, die van haar. Met stellige uitspraken waar haar man op de duur niet meer op reageerde.
Hij eiste alleen nog een paar uur in de weekeinden. Om te wandelen. Het liefst alleen.
Ondanks haar geschamper (zonderlingen doen dat ook) liep hij, zaterdags of zondags, bij mooi en minder mooi weer, tot hij voorgoed wegbleef.

Waaraan dacht hij in die eenzame uren, vroeg dochter zich hardop af. Aan de zee?
Mama keek haar verstoord aan. Ongeweten geestig was haar antwoord.
– Hij zal met de stroom mee hebben gewild.-