Schoonmoeders moestuin

 

Herhaling, sorry. Het is op verzoek.

‘Hier staan boontjes, ginds de piepers. Daar de kolen, zie je hoe groot? Kijk, dit gebruik ik tegen ongedierte.’ Ze toonde een giftig goedje en deed de behandeling omstandig voor.
Ik knikte.
Mocht ik me verbeelden iets van tuinieren af te weten dan kwam ik hier tot inkeer.
Dus liep ik zwijgend mee.
Mompelde  over groeizaam weer.
Zei niet wat ik dacht van vergif. Op een aanstaande schoonmoeder maak je liever  geen ongunstige indruk.

Halverwege het tuinpad wilde ik iets aardigs zeggen en wees:  ‘De bonen staan er mooi bij.’
Ze stopte om me vol minachting aan te kijken.  ‘Dat zijn de piepers.’

Dit kon ik niet meer goedmaken.
Pas bij nederige erkenning van stadse domheid accepteerde ze mijn onnozele opmerking.
Dat ik niet eens uit een stad kwam zag ze over het hoofd.
=

Advertenties

Vakantietuin

De tuin, daar hadden we al een poosje niet meer naar omgekeken.
Tot ik die ochtend -ik lag nog in bed-  een kreet hoorde:
0eoeoeoewahoeoeoeoewaahaa…aaaaa..aaaaaaaaahhh….
Ik schoot overeind, ‘hoorde je dat?’ Man sliep door.
Door het raam was niet veel te zien in de vroege schemer, er was alleen een hoop geritsel.
Het waait zeker, dacht ik. Het zal een uil geweest zijn, een schorre.
Net wilde ik weer het bed in of er klonk een vreemd gesnater.
Hù?  Nog meer geritsel;  wat raar.
Weer vroeg ik manlief, vergeefs.
In mijn eentje sloop ik naar beneden en deed voorzichtig de achterdeur open.
Wat ik zag? Je zult het niet geloven.
Boven op het vogelhuisje zat Tarzan, met Jane op zijn knieën.
Aan het hoogste druivenrek hing Cheetah, hij gaf net een nieuwe krijs ten beste voor Boy  die van de druiven snoepte.
Verbijsterd staarde ik naar dit tafereel dat nog vreemder leek door het grauwe ochtendlicht.
Als een absurdistisch toneelstuk.
Tarzan werd zich bewust van mijn gestaar en ook van de ramen die hier en daar geopend werden.
‘Niets aan de hand,’ riep hij ‘we waren aan vakantie toe.’
‘Ja,’ viel Jane in,  ‘al die jaren in een jungle, zo vervelend op de duur.’
‘Maar hoe komen jullie dan hier, over de oceaan en zo?’ klonk het uit een van de ramen.
‘Gewoon, flink aan een liaan slingeren. Die hebben we altijd bij ons, weet U. En verder goed rondkijken tot je hoog groen ziet’.
Hij wees in het rond.
‘Dit is een heel mooi bosje om uit te rusten, brandnetels, druiven, vogelboompje. Nu nog een onderkomen. We zoeken verder. Doei.’
Hij trok Jane over zijn schouder en riep Cheetah en Boy.
Ze wierpen hun lianen uit; lenig slingerden ze zich de lucht in. Boven het dak van de kerk zag ik ze voor het laatst, Jane zwaaide nog.  Vaag klonk hun oeoeoeaa-geroep.
Ik stond paf. Blij met brandnetels…
Terug in bed werd manlief wakker. ‘Wattizzutvandaag?’
‘Zaterdag, een mooie dag om de tuin op te knappen.’
‘Hè bah,  zullen we een geit huren.  Ik ken iemand die…’
Ik hield me slapend.

Zoveel energie en dat met die warmte

Alles in de tuin groeit zo hard, ik ben al buiten adem als ik het spul groter zie worden. Knoppen en ranken komen me tegemoet en wuiven bij het passeren. Dan hijg ik een knikje terug.
Maar mooi is het.
De campanula is in opmars voor de jaarlijkse verblauwing.
Een grote klaproos sterft af, hij moest zo nodig de eerste zijn.
Een druiventak reikt zo ver mogelijk, hij zwaait met lange halen.
In de varen kan ik straks wonen.
Uit de kunstgrasmat komt niets, je zou iets cultureels verwachten, een schilderskwast desnoods maar het laat slechts dunne halmen door.
Van het theekopje valt niets te zeggen. Het hangt.
Wat met de overige planten? Die groeien me zowat boven het hoofd, nog een geluk dat de stoep niet leeft, stel je voor dat de tegels knoppen kregen, hoe zou je die moeten verzorgen?

Net was er een onweers-hoosbui die de laatste blaadjes van de klaproos vernielde, ocharme, maar ja, dat is des klaproos’. De rest is er juist van opgefrist en schiet nu nog sneller omhoog, ik zag zojuist twee klimoptakken een wedstrijdje houden: wie zich het eerst om de waslijn krulde. Enig, het enthousiasme van dat jonge spul.
De spiegels doen niet aan groot worden en waarom zouden ze ook, ze zijn mooi genoeg.
Ze staren eindeloos in het vijvertje, wachtend op, nee, niet op narcissen.
Dat vinden ze te geijkt, te ijdeltuiten.
Trouwens, Godot laat zich ook niet zien.

Net mensen


Deze zonnebloem staat met zijn hoofd boven de schutting en richt zich op de buren. Nieuwsgierig volgt hij hun leven, waarom eigenlijk? Dat weet hij zelf niet.
Wil ìk zijn aandacht dan dien ik te wachten tot halverwege de middag, tot de zon gedraaid is en  hij zich naar onze achterdeur keert. Denkt zeker dat ik eindeloos zit te wachten tot hij me ziet.
De verbeelding van grote bloemen is gewoon bespottelijk.

 

 

 

 

 

De sedum is anders, bescheidener.
Steekt rustig zijn kop uit de grond en groeit op elke plek, zonnig of niet, nat of droog, met of zonder dorre blaadjes, hij staat bescheiden te wezen in al zijn fletse rozerood.
Dat hij, van bovenaf gezien, op rauwe gehakt lijkt is grappig maar het kan hem niets schelen. Zei hij. ‘Ik ben vegetariër.’

Paradijs in de achtertuin

‘De hof van Eden, gewoon bij je thuis. Zalig…‘ was de reactie van
matroos Beek op het vorige stukje.

Ze brengt me er bijna toe het als een echt paradijsje te beschouwen.

Voor de Boom van Kennis staat de druivenklimop model als het goede, de datura voor het kwaad. De tuinslang -een echte is te griezelig- wijst naar een doornappel die ik negeer, als deugdzame vrouw geniet ik ook zonder zonde en kleren heb ik toch al aan. Er zijn nog een paar buren thuis met wie ik rekening moet houden, ik denk niet dat ze me geloven als ik uitleg voor Eva te spelen.
Lustig ga ik door met druiven eten en bloemen plukken en pootjebaden in de vijver, almaar god prijzend met zoet geneurie.
Geloven in heilige onschuld.

Bijna, zei ik al.
Zonder Adam is er niets aan.

Zomermiddag

Ik slenter wat in het achtertuintje waar stilte heerst nu de helft van de buren weg is. Honden zijn uitbesteed, een genot dat op zich al vakantie te noemen is.
De wildgroei van bloemen en onkruiden door elkaar ziet er enigszins verwaarloosd uit, toch oogt het geheel niet onaantrekkelijk. Eigenzinnig.
Hier en daar scheur ik een verdord blad, bewonder een krullerige omlijsting rond de gebarsten spiegel en het hoogreikende koninginnenkruid.
De grote wortelklonten van de waterlelies zijn opdringerig en duwen de bloemen boven water waardoor die niet tot hun recht komen. Laat ze maar, over een paar maanden gaan ze er uit.
Kauwen terroriseren met veel lawaai de molenwieken. Zouden ze echt het idee hebben de baas te zijn?
Een verdwaalde vlinder fladdert weg als ik de camera richt. Moet een bangoogje zijn.
Er zoemt iets looms.
Met een kop koffie laat ik me in de luie stoel zakken, het is hier best uit te houden.
.

 

 

Jungletje

Drie weken niet snoeien, schoffelen en wat dies meer zij. Een zegen voor de natuur, zou je denken.
In een binnentuintje ligt dat anders, daar heb je al gauw een mini-oerwoud. Tot nog toe ziet het er mooi uit maar het duurt  niet lang of de schuurdeur kan niet meer open. Geen ramp als de wasmachine en droger er niet zouden staan en de fietsen.

Van de andere kant lijkt het me wel wat er een attractie van te maken.
Met een imitatie-Tarzan en -Jane in de lianen, zwierend van druif naar schutting, buitelend over de waslijn en elkaar kirrend achterna zittend tussen koninginnenkruid en bamboe terwijl Cheetah met de buurhond flirt.
Krokodil in het vijvertje, kokosnotenpalmen, giraffe (dwergexemplaar i.v.m. gluren) voor de gezelligheid, krijspapegaaien, extrasterke beamers voor tropisch effect, ik zie het wel zitten.

Maar het onderhoud, dat houdt me tegen. De keuken houd ik liever groenvrij.
Een hark en snoeischaartje zullen waarschijnlijk niet voldoende zijn om planten en dieren te snoeien.

Tuintje

(Bijna)alle bloemen en planten in het achtertuintje zijn me lief maar enkelen min ik meer.

Deze bekervaren  is er zo een. Het mooist als solitair op zwarte grond. Onze grond is niet diepzwart, daarom heb ik de varen  laten inhalen door zoveel campanula’s dat hij straks op een blauw kleed lijkt te staan. Een plant waar je van alles in ziet; van bovenaf heeft hij het patroon van een spinnenweb, van opzij de vorm een bijeengebonden boeket. En dan die getande bladeren, zo fijn krijg je ze nooit geborduurd.

Papavers. Zo markant, die kleur, de vorm.

Niet voor de opium en morfine, ik zou niet weten hoe ik dat eruit moest halen. Uit nieuwsgierigheid nam ik het platgedrukte bolletje van een uitgebloeide bloem mee naar bed en legde het onder mijn hoofdkussen, ik hoopte op een bijzondere droomtrip.

De trip bleef uit. In plaats daarvan was er het uitgestreken gezicht van echtgenoot.
Hij is nu uitgebloeid. De bloem, bedoel ik.

Het fotootje van de lobelia is slecht maar geeft de juiste kleur aan, de reden waarom ik ze elk jaar koop. In de schemering lijkt hij licht te geven. Goed voor een dooie hoek .

In een drukbezette tuin sta je altijd voor verrassingen.

Tuinwerk

Eens liepen vriend en ik door het tuintje van een zus.  We aaiden de kat en bevoelden de perziken.
Ze waren nog niet rijp, wel merkten we iets anders: de bodem veerde. Vreemd, bij elke stap hupten we ’n beetje, een gekke  gewaarwording. De kat opende een geërgerd oog. Hij hupte niet.

‘Wat is dat nou?’ vroeg vriend.
Er schoot me niets anders te binnen dan een flauwe grap. ‘Dat is speciale mest voor dit perzikenras, tegen de rot.’
‘Wat raar…’ Hij geloofde me niet.
We hupten wat heen en weer en net wilde ik toegeven dat ik het niet wist toen zus er bij kwam. Ze zag ons springen.
‘Je heb het al gevonden. Goed idee van ons hè, we wisten niet wat we er mee aan  moesten en wilden het niet bij de vuilnis  zetten.’
Ze zag ons onbegrip.
‘Dat oude grote matras weet je wel, met die binnenvering.’
Onze breinen werkten te traag. Wat wil je, met al dat gehups.
Luid en langzaam zei ze  ‘We-hebben-het-ding-hier-begraven…. ‘

Tuin(knoei-)werk

hibiscus2

Ge- en verknipte hibiscus. In het voorjaar zal hij weer uitlopen en kan ik hem bijhouden
zonder een hoogwerker te huren.
Intussen staat hij erbij als een bonestaak. Het lijkt me wel wat er een lantaarntje aan te hangen, of een minivuurtorenzwaailicht.
Een grote kerstbal is ook nog een optie.

In het achtertuintje ziet het er beter uit. Mooi bevroren passiflora, jammer dat de witte waas niet te zien is. ’s Morgens vroeg lijken de blaadjes omrand door glittertjes maar dan is de camera-accu weer net leeg of hij zit in de tas die ik niet kan vinden.
Nou ja, zo is hij ook mooi.
Het tuinwerk is voorlopig gedaan. Graag had ik een zwembad uitgegraven en van het zand een klein alpje gebouwd. Skibaantje voor de buurkatten en extra schuilhut voor de muizen,  koek-en-brokkie erbij.
Maar de grond is bevroren.