Over trots

Een controversieel onderwerp. Wat de een een nare eigenschap vindt, ziet de ander het als een stoere karaktertrek.
Men kan er veel kanten mee op.
Wie kent niet een kind dat trots de nieuwe speeltjes laat zien, het is vertederend.
Maar ook: de opschepper die showt met een dikke portefeuille. Dit wekt afgunst, vertaald in ergernis.
Trots waren de veldheren en ontdekkingsreiziger, leerde je op school. Zij wonnen land voor hun bazen die zo mogelijk nog trotser waren op het verworven bezit.

Het kan tot een moeilijk te begrijpen gedrag leiden.
Zoals dat van de man die, barstend van de armoe, geen steun wilde aannemen maar wel accepteerde dat zijn kind het kippenvoer opat.
Of dat van een vrouw die zo groot ging op haar spaarzaamheid dat ze de eenvoudigste eisen van haar gezin wegwuifde. Wees zuinig, was haar devies terwijl ze trots wees op haar banksaldo.
Misplaatste trots, in mijn ogen.

In de politiek kom je heel veel trots tegen, een baan hierin lijkt de ultieme vervulling te zijn.  De fierheid op een gewonnen punt is te begrijpen maar ook hier zie je iets onbenoembaars, de trots van politici die zich afwenden van bepaalde partijen en daarbij een verheven houding aannemen: kijk mij eens goed zijn.
Wat maakt ze zo trots?
(Let wel: ik ben niet voor of tegen rechts of links, daar gaat het hier niet om).

Er zijn veel meer dingen over deze eigenschap te zeggen en ontelbare voorbeelden te vinden. Maar dan wordt deze log te lang.
Ieder kan dit lijstje zelf aanvullen.
-==

Over trots


Een eigenschap die door sommige mensen hogelijk werd gewaardeerd, nog steeds.  Een bepaald soort trots. Je te groot voelen om hulp te vragen, zelf alles willen oplossen. Hier dacht ik aan bij het overlezen van ze-wilde-zelfstandig-blijven/
Als kind begreep ik niets van het idee.

We hoorden gesprekken waarin ronkend verhaald werd van ‘liever honger dan de hand ophouden’. De sprekers keken zegevierend rond, de meeste aanwezigen knikten. Niemand van hen zou het openlijk toegeven als men wèl financiële hulp  had aangevraagd.
Ze spraken over tijden die we, kind zijnde, niet kenden maar dat ze armoe hadden geleden was duidelijk.

Raar vond ik uitspraken als: ‘Weet je nog dat opa K. het verrekte naar het gemeentehuis te gaan terwijl opoe niet wist hoe ze aan brood moest komen? Wat was die man sterk!’ 
Sjonge. Je gezicht niet willen verliezen terwijl je gezin honger lijdt, wat een armoed. Ik zou het juist dapper hebben gevonden als die opa zijn trots opzij zette en het hoofd gebogen had. Dacht ik, verontwaardigd .

Bij het ouder worden begon ik er iets van te begrijpen.
De Bijstandswet bestond nog niet, mensen konden Steun aanvragen, van gemeente of kerk. Geen pretje, bleek uit andermans verhalen. Tot op de cent nauwkeurig werd berekend wat de gezinnen nodig hadden, elk klontje suiker werd als overbodig gezien en bestraft door op andere artikelen te korten. Ook hoorde ik van Steunhelpsters. Veelal dames van betere stand die Goede Werken beoefenden en de arme gezinnen bezochten om de behoeften te onderzoeken. ‘De neerbuigendheid,‘ vertelde een vrouw, ‘was niet te harden.’
Dan krijgt die opschepperige trots een heel andere lading.

Sommige ouderen koesterden hun gevoel van eigenwaarde tot hun dood.
Zij waren trots op hun trots.