DiKtionnaire


Met informatielectuur moet je leren omgaan.
Bladerend in de oude WP-atlas bleef ik als kind herhaaldelijk steken bij plaatjes en onderschriften. Achtergrondkennis deed ik niet op.
Toen ik een paar jaar later in woordenboeken neusde, las ik opnieuw gefascineerd als in een spannende roman.  Springend van vreemd woord naar vreemd woord.
Dat was nog eens fijn leeswerk, dacht ik, nu word ik wijs en ga verhalen schrijven. Sprookjes over brijbaardige draken en monsterlijke quagga’s, ik zag ze al voor me.
Er kwam niets van terecht behalve in mijn hoofd en dat viel niet te lezen.
Enfin.
Uiteindelijk wende ik aan de gespletenheid van taal, algemene woordkennis enerzijds en het schrijven van opstellen anderzijds. Het zijn heel verschillenden dingen . Ze vullen elkaar hoogstens aan.
Je hebt weinig aan vreemde woorden alleen, taalvaardigheid is minstens zo belangrijk.

Nog later kreeg ik een nieuwe Van Dale, veertiende editie. Drie dikke boekdelen, maar liefst 4138 pagina’s plus een paar extra hoofdstukken die op een middelbare school niet zouden misstaan als geschiedenis- en literatuurlessen.
Ze zijn lastig te hanteren, passen niet op het bureau  of op de bijzettafel, maar ik blader er af en toe in en vind nog steeds mooie woorden en uitdrukkingen. Google is voor de oplossingen, dan heb ik alsnog wat geleerd.
Quid hoc sibi vult?
==

Over taal.


Moe was tamelijk fel op net taalgebruik.
Dit was niets bijzonders, dat waren de meeste mensen.
Het gros van de klasgenoten werd op gelijke manier opgevoed, vloeken of schunnige taal hoorden we zelden.
Toen kwamen we in Oost-Brabant te wonen.
De taal was anders. Makkelijker. Niet minder fatsoenlijk, wel vriendelijker.
Het kostte Moe moeite er aan te wennen maar ze deed haar best.
‘Nondeju’ accepteerde ze zonder commentaar, zij het met tegenzin.
Ik genoot ervan.
Niet omdat ik graag vloekte, het was het gemak waarmee de mensen omgingen met hun taal zonder zich niet-netjes te voelen, het kwam niet eens bij ze op.
Zoiets als vrijer zijn vergeleken bij de Hollandse beknotting.
Het zal een van de verschillen zijn geweest tussen Holland en Brabant.
Taal verwoordde die verschillen.
Of ze nog steeds bestaan weet ik niet zeker, ik vermoed van wel.
==

Samenspraak


In de klas
Hoeveel is vijf en zes?
– Elluf.
Elf dus. En nu iets anders Waar halen we de eieren?
– Die legge de kippe.
Hm. Maar waar kopen we ze?
– Bij de kreudenier. En de Koperaasie.
In de winkels, ja. En de melk?
– Die komme ze brenge.
Gaan jullie wel eens het weiland in?
– Nee hor, daar worrik as de dood zo bang.
Maar een koe is toch een mak dier?
– Je kemmewat, ze zijn veel groter dan ik. En kwijle dasse doen!

Denk er hoge zangerige uithalen bij en je hebt zo’n beetje onze kindertaal.
Ondertussen verbeeldden we ons dat we ‘netjes’ spraken. Niet als een paar oudjes die  ‘aiselijk plat’ Zaans praatten en waar we niets van verstonden.
De keren dat ik – na de verhuizing naar Brabant – op bezoek was in de streek viel het me pas echt op.
Met gene dacht ik terug aan een nieuw kind in de klas. Een Brabants meisje dat zo zijdezacht sprak dat niemand haar begreep.
Met nog meer gene aan de eerste keer dat ik in Brabant naar school moest: ze verstonden me amper. Stomverbaasd was ik, ik sprak toch netjes? Dacht ik.

Na een paar jaar zei de Hollandse tak dat we verBrabantsten.
En de Brabanders meldden dat we nog steeds Hollands spraken. Het deerde niemand en is waarschijnlijk herkenbaar voor alle verhuizers.
Een woordenloos gesloten akkoord.
Zo versta je elkaar.
-=

Over Engels gesproken

In de jaren vijftig-zestig en daarvoor was het gebruik van het Engels nog lang niet zo gewoon als nu.

Niet zo gek dat onze (groot-)ouders -die weinig of geen talen leerden-  niet alles snapten van de enkele woorden die ze tegenkwamen.
Dit bijvoorbeeld ↓
water is wet
we volgen een slim diet
closed  de wcdeur
we dragen  boots
luisteren naar broadcast
—zouden ze maar half begrijpen en lezen als
dat de overheid verplicht voor water moet zorgen
we een intelligent dieet volgen
dat de wcdeur een closetdeur is
er uit de broodkast geluid kwam

Ik kom hier op door een opmerking die me aan mijn vader herinnerde. (‘Weet je nog, onze Pa…’)
Hij las graag voor uit de krant. Bij een artikel over de pianist Count Basie sprak hij de naam uit als Koent Bassie. Genant voor ons, pubers, maar niet onlogisch, dit was duidelijk verwant aan de Franse taal die voor hen bekender klonk dan het Engels.
Ze zouden de hedendaagse reclames niet begrijpen als ze er onverwachts mee geconfronteerd werden.
En eerlijk gezegd, van veel Engelse informatie op Internet begrijp ik ook niet alles.  Woordenboeken en Google moeten me helpen anders zou ik muurvast zitten bij elk probleempje .
Misschien een van de oorzaken dat ouderen niet aan Internet beginnen.
ps
Uiteraard bedoel ik de heel oude ouderen. ☻

Taalspelletje

Een vrouw liep in zeven sloten tegelijk. Ze kwam drijfnat thuis.

Het water stond me aan de lippen,  het was dieper dan ik dacht.

Het regent pijpestelen en ze stinken naar tabak.

De storm in het glas maakte het water wild.

Toen het bakstenen regende heerste er naderhand een hersenschuddingepidemie.

We droegen water naar de zee. Waren we er mooi van af.

Enzovoorts.

Cijfers en letters

Voor cijfers had ik weinig belangstelling.
Nuttig om zakgeldverhoging te berekenen. Later om het gezinsbudget te verruimen, een onaangename bezigheid want na elke berekening sloeg de krimp genadeloos toe zodat het resultaat steevast ondermaats was. Er schijnt een behulpzame knobbel te bestaan, vermoedelijk had ik een deuk.

Mijn aandacht ging -en gaat nog steeds- uit naar letters, ogenschijnlijk een klein verschil, in werkelijkheid een andere wereld.
De letter z bijvoorbeeld lijkt weliswaar op het cijfer 2, maar zie eens welk een diversiteit in betekenissen er aan kleeft.
De zet van zoet en zalig en zacht, maar ook van zwaarmoedig en zwavel en zompige zwelgpartijen, denk eens aan de grote hoeveelheid onderwerpen die men hiermee kan beschrijven, bibliotheken vol.
En dan de 2: twee. Dat is het.
‘En?’ zult U vragen, ‘er moet toch meer zijn?’
Nou, twee en twee is vier; vijf in enkele gevallen.
Maar dat is echt alles. Je kunt er hoogstens mee rekenen. Om er wat sjeu in te brengen zijn er de getallen 1 3 4 5 6 7 8 9 0 bij verzonnen, en daarvan heeft men sommen bedacht, met tekens en haken. Enkele op kleuterniveau, andere die achteraf alleen met computers te berekenen waren maar waar wij uren mee zoet gehouden werden teneinde de leraren hun rust te gunnen.
Ach, cijfers, ze zijn geschikt om de pagina’s te nummeren. En speciale boeken mee vol te kladden die alleen voor ingewijden zijn te begrijpen. Ik zie al een krant vol sommen op de mat liggen, mensen zouden rap doldraaien, ook die knobbeligen.
Nee, dan letters, 26 stuks voor allerlei verhalen, romans, geschiedenis, en het gaat maar door, eindeloos zijn de mogelijkheden.
Toegegeven, ook voor redactiesommen. Nou ja, dan snappen we tenminste nog ìets van dat vak.

Liefde overwint bijna alles

Net in Oost-Brabant wonend fietste ik naar school.
Een jongen haalde me in en bleef naast me rijden.
Ik voelde me zeer vereerd. Meteen al een knappe inwoner aan de haak, sjonge.
-Hoe vienut hier? vroeg hij.
Ik keek hem aan en haalde de schouders op.
Hij probeerde wat anders.
-Wan elend bij de familie D wa.
De eland van de familie D…?
Mijn ogen werden almaar groter.
Hij keek me aan met een blik van -belazer-je-grootje-.
En had er genoeg van.
-Houdoe, zei-t-ie en sloeg rechtsaf.
-Wat zeg je? vroeg ik ook nog.

Ach, hij was nog maar dertien of veertien, net als ik, waarschijnlijk zou hij mijn Zaans ook niet hebben begrepen.

 

GROOT DICTEE

-ntr-stopt-met-groot-dictee
oftewel:

Het  dictee,  normaal gesproken een taalkundige opgave waarbij personen op hun kennis van spelling en interpunctie worden getest, hier verworden tot een GROOT DICTEE en gewrongen in een monstrueuze constructie van ongebruikelijke woorden en Duitstalige lesboekachtige volzinnen, vermoedelijke ter meerdere eer en glorie van schrijvers en programmamakers, is ter ziele.

 

Puberale opmerkingen jaren zestig-zeventig

In een groep – Ik val plat voor iedereen die me aan het lachen maakt.
Met schoolreis- Ik ben overal voor in.
In opstel –In de bospaden zagen we afdrukken van allerlei poten.
Tegen vriendin – Vroeger was ik een enorme doos.
Over boeken – Ja, ik ben behoorlijk ruimdenkend.
Enzovoorts.
Ter verdediging: we waren niet echt van die achterlijke geiten, het taalgebruik was anders, minder confronterend.
Toch lachen we er nu om. Beetje vertederd, alsof we onnozel waren.
En dan denk ik weer: je moest eens weten.