Over taal.


Moe was tamelijk fel op net taalgebruik.
Dit was niets bijzonders, dat waren de meeste mensen.
Het gros van de klasgenoten werd op gelijke manier opgevoed, vloeken of schunnige taal hoorden we zelden.
Toen kwamen we in Oost-Brabant te wonen.
De taal was anders. Makkelijker. Niet minder fatsoenlijk, wel vriendelijker.
Het kostte Moe moeite er aan te wennen maar ze deed haar best.
‘Nondeju’ accepteerde ze zonder commentaar, zij het met tegenzin.
Ik genoot ervan.
Niet omdat ik graag vloekte, het was het gemak waarmee de mensen omgingen met hun taal zonder zich niet-netjes te voelen, het kwam niet eens bij ze op.
Zoiets als vrijer zijn vergeleken bij de Hollandse beknotting.
Het zal een van de verschillen zijn geweest tussen Holland en Brabant.
Taal verwoordde die verschillen.
Of ze nog steeds bestaan weet ik niet zeker, ik vermoed van wel.
==

Advertenties

Samenspraak


In de klas
Hoeveel is vijf en zes?
– Elluf.
Elf dus. En nu iets anders Waar halen we de eieren?
– Die legge de kippe.
Hm. Maar waar kopen we ze?
– Bij de kreudenier. En de Koperaasie.
In de winkels, ja. En de melk?
– Die komme ze brenge.
Gaan jullie wel eens het weiland in?
– Nee hor, daar worrik as de dood zo bang.
Maar een koe is toch een mak dier?
– Je kemmewat, ze zijn veel groter dan ik. En kwijle dasse doen!

Denk er hoge zangerige uithalen bij en je hebt zo’n beetje onze kindertaal.
Ondertussen verbeeldden we ons dat we ‘netjes’ spraken. Niet als een paar oudjes die  ‘aiselijk plat’ Zaans praatten en waar we niets van verstonden.
De keren dat ik – na de verhuizing naar Brabant – op bezoek was in de streek viel het me pas echt op.
Met gene dacht ik terug aan een nieuw kind in de klas. Een Brabants meisje dat zo zijdezacht sprak dat niemand haar begreep.
Met nog meer gene aan de eerste keer dat ik in Brabant naar school moest: ze verstonden me amper. Stomverbaasd was ik, ik sprak toch netjes? Dacht ik.

Na een paar jaar zei de Hollandse tak dat we verBrabantsten.
En de Brabanders meldden dat we nog steeds Hollands spraken. Het deerde niemand en is waarschijnlijk herkenbaar voor alle verhuizers.
Een woordenloos gesloten akkoord.
Zo versta je elkaar.
-=

Over Engels gesproken

In de jaren vijftig-zestig en daarvoor was het gebruik van het Engels nog lang niet zo gewoon als nu.

Niet zo gek dat onze (groot-)ouders -die weinig of geen talen leerden-  niet alles snapten van de enkele woorden die ze tegenkwamen.
Dit bijvoorbeeld ↓
water is wet
we volgen een slim diet
closed  de wcdeur
we dragen  boots
luisteren naar broadcast
—zouden ze maar half begrijpen en lezen als
dat de overheid verplicht voor water moet zorgen
we een intelligent dieet volgen
dat de wcdeur een closetdeur is
er uit de broodkast geluid kwam

Ik kom hier op door een opmerking die me aan mijn vader herinnerde. (‘Weet je nog, onze Pa…’)
Hij las graag voor uit de krant. Bij een artikel over de pianist Count Basie sprak hij de naam uit als Koent Bassie. Genant voor ons, pubers, maar niet onlogisch, dit was duidelijk verwant aan de Franse taal die voor hen bekender klonk dan het Engels.
Ze zouden de hedendaagse reclames niet begrijpen als ze er onverwachts mee geconfronteerd werden.
En eerlijk gezegd, van veel Engelse informatie op Internet begrijp ik ook niet alles.  Woordenboeken en Google moeten me helpen anders zou ik muurvast zitten bij elk probleempje .
Misschien een van de oorzaken dat ouderen niet aan Internet beginnen.
ps
Uiteraard bedoel ik de heel oude ouderen. ☻

Taalspelletje

Een vrouw liep in zeven sloten tegelijk. Ze kwam drijfnat thuis.

Het water stond me aan de lippen,  het was dieper dan ik dacht.

Het regent pijpestelen en ze stinken naar tabak.

De storm in het glas maakte het water wild.

Toen het bakstenen regende heerste er naderhand een hersenschuddingepidemie.

We droegen water naar de zee. Waren we er mooi van af.

Enzovoorts.

Cijfers en letters

Voor cijfers had ik weinig belangstelling.
Nuttig om zakgeldverhoging te berekenen. Later om het gezinsbudget te verruimen, een onaangename bezigheid want na elke berekening sloeg de krimp genadeloos toe zodat het resultaat steevast ondermaats was. Er schijnt een behulpzame knobbel te bestaan, vermoedelijk had ik een deuk.

Mijn aandacht ging -en gaat nog steeds- uit naar letters, ogenschijnlijk een klein verschil, in werkelijkheid een andere wereld.
De letter z bijvoorbeeld lijkt weliswaar op het cijfer 2, maar zie eens welk een diversiteit in betekenissen er aan kleeft.
De zet van zoet en zalig en zacht, maar ook van zwaarmoedig en zwavel en zompige zwelgpartijen, denk eens aan de grote hoeveelheid onderwerpen die men hiermee kan beschrijven, bibliotheken vol.
En dan de 2: twee. Dat is het.
‘En?’ zult U vragen, ‘er moet toch meer zijn?’
Nou, twee en twee is vier; vijf in enkele gevallen.
Maar dat is echt alles. Je kunt er hoogstens mee rekenen. Om er wat sjeu in te brengen zijn er de getallen 1 3 4 5 6 7 8 9 0 bij verzonnen, en daarvan heeft men sommen bedacht, met tekens en haken. Enkele op kleuterniveau, andere die achteraf alleen met computers te berekenen waren maar waar wij uren mee zoet gehouden werden teneinde de leraren hun rust te gunnen.
Ach, cijfers, ze zijn geschikt om de pagina’s te nummeren. En speciale boeken mee vol te kladden die alleen voor ingewijden zijn te begrijpen. Ik zie al een krant vol sommen op de mat liggen, mensen zouden rap doldraaien, ook die knobbeligen.
Nee, dan letters, 26 stuks voor allerlei verhalen, romans, geschiedenis, en het gaat maar door, eindeloos zijn de mogelijkheden.
Toegegeven, ook voor redactiesommen. Nou ja, dan snappen we tenminste nog ìets van dat vak.

Liefde overwint bijna alles

Net in Oost-Brabant wonend fietste ik naar school.
Een jongen haalde me in en bleef naast me rijden.
Ik voelde me zeer vereerd. Meteen al een knappe inwoner aan de haak, sjonge.
-Hoe vienut hier? vroeg hij.
Ik keek hem aan en haalde de schouders op.
Hij probeerde wat anders.
-Wan elend bij de familie D wa.
De eland van de familie D…?
Mijn ogen werden almaar groter.
Hij keek me aan met een blik van -belazer-je-grootje-.
En had er genoeg van.
-Houdoe, zei-t-ie en sloeg rechtsaf.
-Wat zeg je? vroeg ik ook nog.

Ach, hij was nog maar dertien of veertien, net als ik, waarschijnlijk zou hij mijn Zaans ook niet hebben begrepen.

 

GROOT DICTEE

-ntr-stopt-met-groot-dictee
oftewel:

Het  dictee,  normaal gesproken een taalkundige opgave waarbij personen op hun kennis van spelling en interpunctie worden getest, hier verworden tot een GROOT DICTEE en gewrongen in een monstrueuze constructie van ongebruikelijke woorden en Duitstalige lesboekachtige volzinnen, vermoedelijke ter meerdere eer en glorie van schrijvers en programmamakers, is ter ziele.

 

Puberale opmerkingen jaren zestig-zeventig

In een groep – Ik val plat voor iedereen die me aan het lachen maakt.
Met schoolreis- Ik ben overal voor in.
In opstel –In de bospaden zagen we afdrukken van allerlei poten.
Tegen vriendin – Vroeger was ik een enorme doos.
Over boeken – Ja, ik ben behoorlijk ruimdenkend.
Enzovoorts.
Ter verdediging: we waren niet echt van die achterlijke geiten, het taalgebruik was anders, minder confronterend.
Toch lachen we er nu om. Beetje vertederd, alsof we onnozel waren.
En dan denk ik weer: je moest eens weten.

Taal leeft

Of liever gezegd: de mens leeft. Hij beweegt en neemt zijn taal mee naar anderstaligen.
Het is dan ook te verwachten dat er buitenlandse woorden in elke taal binnensluipen.
Heel goed, het houdt de gesprekken en het menselijk verkeer levendig.
Dialect is een andere zaak. Er zijn (Nederlandse) dialecten die goed klinken, toch lees en hoor ik ze liever niet in druk of radio/tv. Daar valt wel wat op af te dingen: wat weten we van de instromende woorden die zich met de onze mengen? Die zijn misschien wel platter dan plat, we weten immers niet of het dialect- dan wel officiële woorden zijn. (Taalkundigen daargelaten). We accepteren het.
Taal gaat niet altijd mee met ieders smaak.  Soms kom je een leenwoord tegen dat stoort, waarvan niet uit te leggen valt om welke reden.  ‘Kids’ was er zo een,  het werd in 2013 verkozen tot het allerirritantste-woord  terwijl anderen er geen moeite mee hebben.  Ieder heeft zijn persoonlijke voorkeur en tegenzin.
Ook de eigen taal heeft woorden die je liever niet gebruikt en ook hier is het gissen naar de reden van ergernis.
Maar van deze weet ik het wel, ‘roven’ was een woord dat iemand steevast gebruikte voor het afnemen van een speelkaart. ‘Moet ik roven of ben jij aan de beurt?’
Gatverdamme, zeiden we dan, roven zitten op zweren.
Wat hij niet met ons eens was. ‘Dat zijn korsten,’ wees hij ons terecht.
Ja, die zitten aan brood ook.
Voorbeelden van mooie woorden? Die zijn er teveel om op te noemen.
Over taal kun je eindeloos doorlullen.  Of -praten.