taal

Lange woorden

Het langste Nederlandse woord
Lang geleden dachten we aan locomokipkachelfantje maar dat werd niet geaccepteerd door de juf, zal een uitgeverij het waarschijnlijk ook niet doen.
De voorbeelden in het boek zijn geschikt voor Galgje, kent iemand het spel? Daar kreeg  je  ook van  die samengestelde woorden die je net zo lang kon maken als je wilde.  Dat ligt aan de spelregels die je kunt aanpassen.
Vermakelijk was een serieuze broer die prompt protesteerde:  ‘er bestaat geen tafelpotenzaagmachineassistente. In de werkplaats van N hebben ze dat ook niet….’
Uiteraard weerspraken we het met vuur en plakten er nog een stukje aan, -bureau, bijvoorbeeld.
Echt een spel dat je moet doen met iemand die het te ernstig neemt.
Voor de discussies alleen al, net als bij scrabble maar dan spannender. En het leerzame boek erbij. ☻
=
taal

Dialectfreaks

Mooi, die anjers.
   – Dat zijn fletten.
Huh?
   –  Zo heetten ze vroeger  maar dat weet jij natuurlijk niet.
Mompelend er achteraan: – Die flauwe frollie tegenwoordig.
Ze stond op haar eigen woordgebruik.
Luiers was flauwekul voor ‘doeken’.
 – Menstruatie heette eigenlijk ‘de regels’.  Prima  hoor maar een buitenstaander begreep niet alles.

In eigen kring hadden we ook zo iemand, die sprak plat Zaans alsof hij er een hoofdprijs mee had gewonnen.
Hij promootte zijn taal en gebruikte woorden die al lang verjaard waren  (stienen en bienen, peerd en gait), een keer nam hij de telefoon op met: ‘Ja met main’, ik viel stil van verbazing.
Het lijkt grappig, toch kon ik het maar matig waarderen.  Dialecten zijn voor thuisgebruik en carnaval, een nietkenner mag ook wat zeggen.
Streng? Misschien.
Ik verwacht dat mensen, naast hun dialect, ook de nationale taal spreken. Maar ik moet toegeven dat dat lastig wordt wanneer je elke dag alleen je huistaal hoort en vroeger was dat vaak het geval.
En heel eerlijk gezegd, zelf spreek ik ook niet altijd correct. Shame en bloos
===
taal

Doodloof

Dat ben ik.
Of het origineel Zaans is weet ik niet. Mijn vader kwam uit de omgeving van De Rijp en bracht andere woorden mee, zodoende weet ik het verschil niet altijd.  Wanneer zijn familie op bezoek kwam luisterde ik met extra aandacht. Ze spraken anders, soms leek het op Purmerends, dan weer ’n beetje op West-Fries. Er was nog familie uit Amsterdam, Overijssel, spannend.
– In de brugklas hoorde je ook verschillen. Ondanks de verplicht ‘nette’ uitspraak herkende je de kinderen uit ’t Kalf, Purmerend en meer van die kant en hoewel ik bleef zitten had ik toch maar mooi een boel talen geleerd.

In Brabant was het eender, ik kwam terecht op een streek-mulo met meisje uit Cuijk en het superplatsprekende achterland, maar ook uit Mook, Middelaar, beide Limburgse plaatsen. Daar we aan de Maas en vlakbij toeristisch Mook en Groesbeek woonden leerden we automatisch (veel) Duits, Nijmeegs, schippers- en andere talen.

En weet je wat? Naast het mulo-diploma had ik er niets aan.
In niet één baantje kon ik geuren met mijn talenkennis. Ook de kinderen kon ik niet helpen bij hun huiswerk, ze hadden niets aan plat-Holands, -Brabant, -Limburgs, grensDuits of fabeltjesFrans.
Het verdroot me zeer.
Nog steeds maar kepper mee lere leve.
=

taal

Duidelijke taal

Vaktermen. Een van de broers gebruikte ze  vaak, dat vond hij handig omdat 1 woord een hele zin kon vervangen.
In de uitleg over zijn technische hobbies kwam nauwelijks iets begrijpelijks voor.
Dan had hij het over de cardan-as, het blok, kuip, booster, onderbouw, locdecoder waarbij je zelf maar moest uitvinden welke van zijn liefhebberijen hij bedoelde.
Dat waren dan nog vaktermen, het was hem vergeven.
Iemand anders in het groepje mocht zich graag ontwikkeld voordoen, dat wij er lacherig over deden kon hem niets schelen. In een gesprek riep hij eens, bloedserieus:
Het legitieme bewijs dat de Europese vorstenhuizen rechtens hun koninklijk titels voeren is dubieus.
Aha, en waarom dan?
Geduldig legde hij het uit  Omdat ze met jan en alleman het nest in doken, ze wisten amper welk kind van welke vader was.
We snapten het.
Ook hem vergaven we.
==

 

taal

DiKtionnaire


Met informatielectuur moet je leren omgaan.
Bladerend in de oude WP-atlas bleef ik als kind herhaaldelijk steken bij plaatjes en onderschriften. Achtergrondkennis deed ik niet op.
Toen ik een paar jaar later in woordenboeken neusde, las ik opnieuw gefascineerd als in een spannende roman.  Springend van vreemd woord naar vreemd woord.
Dat was nog eens fijn leeswerk, dacht ik, nu word ik wijs en ga verhalen schrijven. Sprookjes over brijbaardige draken en monsterlijke quagga’s, ik zag ze al voor me.
Er kwam niets van terecht behalve in mijn hoofd en dat viel niet te lezen.
Enfin.
Uiteindelijk wende ik aan de gespletenheid van taal, algemene woordkennis enerzijds en het schrijven van opstellen anderzijds. Het zijn heel verschillenden dingen . Ze vullen elkaar hoogstens aan.
Je hebt weinig aan vreemde woorden alleen, taalvaardigheid is minstens zo belangrijk.

Nog later kreeg ik een nieuwe Van Dale, veertiende editie. Drie dikke boekdelen, maar liefst 4138 pagina’s plus een paar extra hoofdstukken die op een middelbare school niet zouden misstaan als geschiedenis- en literatuurlessen.
Ze zijn lastig te hanteren, passen niet op het bureau  of op de bijzettafel, maar ik blader er af en toe in en vind nog steeds mooie woorden en uitdrukkingen. Google is voor de oplossingen, dan heb ik alsnog wat geleerd.
Quid hoc sibi vult?
==

taal

Over taal.


Moe was tamelijk fel op net taalgebruik.
Dit was niets bijzonders, dat waren de meeste mensen.
Het gros van de klasgenoten werd op gelijke manier opgevoed, vloeken of schunnige taal hoorden we zelden.
Toen kwamen we in Oost-Brabant te wonen.
De taal was anders. Makkelijker. Niet minder fatsoenlijk, wel vriendelijker.
Het kostte Moe moeite er aan te wennen maar ze deed haar best.
‘Nondeju’ accepteerde ze zonder commentaar, zij het met tegenzin.
Ik genoot ervan.
Niet omdat ik graag vloekte, het was het gemak waarmee de mensen omgingen met hun taal zonder zich niet-netjes te voelen, het kwam niet eens bij ze op.
Zoiets als vrijer zijn vergeleken bij de Hollandse beknotting.
Het zal een van de verschillen zijn geweest tussen Holland en Brabant.
Taal verwoordde die verschillen.
Of ze nog steeds bestaan weet ik niet zeker, ik vermoed van wel.
==

taal

Samenspraak


In de klas
Hoeveel is vijf en zes?
– Elluf.
Elf dus. En nu iets anders Waar halen we de eieren?
– Die legge de kippe.
Hm. Maar waar kopen we ze?
– Bij de kreudenier. En de Koperaasie.
In de winkels, ja. En de melk?
– Die komme ze brenge.
Gaan jullie wel eens het weiland in?
– Nee hor, daar worrik as de dood zo bang.
Maar een koe is toch een mak dier?
– Je kemmewat, ze zijn veel groter dan ik. En kwijle dasse doen!

Denk er hoge zangerige uithalen bij en je hebt zo’n beetje onze kindertaal.
Ondertussen verbeeldden we ons dat we ‘netjes’ spraken. Niet als een paar oudjes die  ‘aiselijk plat’ Zaans praatten en waar we niets van verstonden.
De keren dat ik – na de verhuizing naar Brabant – op bezoek was in de streek viel het me pas echt op.
Met gene dacht ik terug aan een nieuw kind in de klas. Een Brabants meisje dat zo zijdezacht sprak dat niemand haar begreep.
Met nog meer gene aan de eerste keer dat ik in Brabant naar school moest: ze verstonden me amper. Stomverbaasd was ik, ik sprak toch netjes? Dacht ik.

Na een paar jaar zei de Hollandse tak dat we verBrabantsten.
En de Brabanders meldden dat we nog steeds Hollands spraken. Het deerde niemand en is waarschijnlijk herkenbaar voor alle verhuizers.
Een woordenloos gesloten akkoord.
Zo versta je elkaar.
-=

taal

Over Engels gesproken

In de jaren vijftig-zestig en daarvoor was het gebruik van het Engels nog lang niet zo gewoon als nu.

Niet zo gek dat onze (groot-)ouders -die weinig of geen talen leerden-  niet alles snapten van de enkele woorden die ze tegenkwamen.
Dit bijvoorbeeld ↓
water is wet
we volgen een slim diet
closed  de wcdeur
we dragen  boots
luisteren naar broadcast
—zouden ze maar half begrijpen en lezen als
dat de overheid verplicht voor water moet zorgen
we een intelligent dieet volgen
dat de wcdeur een closetdeur is
er uit de broodkast geluid kwam

Ik kom hier op door een opmerking die me aan mijn vader herinnerde. (‘Weet je nog, onze Pa…’)
Hij las graag voor uit de krant. Bij een artikel over de pianist Count Basie sprak hij de naam uit als Koent Bassie. Genant voor ons, pubers, maar niet onlogisch, dit was duidelijk verwant aan de Franse taal die voor hen bekender klonk dan het Engels.
Ze zouden de hedendaagse reclames niet begrijpen als ze er onverwachts mee geconfronteerd werden.
En eerlijk gezegd, van veel Engelse informatie op Internet begrijp ik ook niet alles.  Woordenboeken en Google moeten me helpen anders zou ik muurvast zitten bij elk probleempje .
Misschien een van de oorzaken dat ouderen niet aan Internet beginnen.
ps
Uiteraard bedoel ik de heel oude ouderen. ☻

taal

Taalspelletje

Een vrouw liep in zeven sloten tegelijk. Ze kwam drijfnat thuis.

Het water stond me aan de lippen,  het was dieper dan ik dacht.

Het regent pijpestelen en ze stinken naar tabak.

De storm in het glas maakte het water wild.

Toen het bakstenen regende heerste er naderhand een hersenschuddingepidemie.

We droegen water naar de zee. Waren we er mooi van af.

Enzovoorts.