Stormachtige herinnering.

Er stond een stevige zuidzuidwesten wind.
Fijn, dachten we, lekker uitwaaien op de fiets.
Zolang we nog in het dorp reden ging het inderdaad lekker, buiten de bebouwde kom echter werd het menens.
We trapten en trapten, we kwamen nog geen vijftig meter per uur vooruit, na een kwartier hadden we tien meter afgelegd. Dat is niks, begrepen we en stopten om beraad te houden.
Gelukkig stond er een bosje in de berm zodat we windvrij konden overleggen waarbij we een grote paddestoel gebruikten als ronde tafel.
Wat doen we?
a. we gaan door;
b. we gaan terug.
c. we blijven zitten waar we zitten en verroeren ons niet.
Unaniem werd op punt a gestemd.
We reden weer even maar toen was daar de open vlakte, een kei- en keiharde ervaring.
Eerst woeien onze krullen eruit.
Toen de haren zelf.
Daarna hielden de knopen van de jassen het niet meer zodat we ze achterstevoren aantrokken.
Bel, snelbinders, koplamp, alle aanhangsels werden door de wind meegenomen, ze stuiterden tussen de maïsstoppels. Het was maar goed dat we zelf nogal stevig waren.
Moe, kaal, chagrijnig en met een berooide fiets kwamen we bij een koffiehuis waar we melk dronken en krachtvoer aten hoewel we te moe waren om er van te genieten.
Gedesillusioneerd keerden we huiswaarts.
Daar fleurden we helemaal van op, het was geweldig.
De storm schoof ons telkens een paar kilometer vooruit, het ging zo vlug dat we nog net op tijd waren om onze uitgekrulde haren op te pikken voordat een reiger er mee wegvloog en geloof het of niet, binnen tien minuten waren we thuis. Echt.
Het was al met al een leerzame tocht:  voortaan gaan we met het vliegtuig heen en met de fiets terug.

Advertenties

Herfststorm, verslag in drie hoofdstukken. 2

We verbleekten.
‘Zou je niet gaan zoeken, misschien ligt hij wel dood onder de takken. En waarom gebruikte je onze bomen?’
‘Ach, what’s in a tree. De leeuw ligt volgevreten in zijn mand maar m’n broer zal wel in de buurt zijn.’ Hij keek vaag om zich heen. ‘Sjaak, waar ben je?’
Prompt reageerde het beestenspul, angstig, ze kenden Sjaak en diens leeuw. Ze worstelden met de takken en elkaar, kwamen los en vlogen over alle barricades naar buiten.
‘Hela!’ Willem protesteerde, ‘terugkeren jullie, tis melkenstijd…’ maar het vee luisterde niet.
‘…extra hooi’ gooide hij er achteraan en toen, venijnig: ‘..of ik bel het abattoir.’ Dat hielp. Ze kwamen terug, de hond wierp een lasso om hun nekken en hield de wacht.
Wij speurden ondertussen naar Sjaak.
Eindelijk, na de vlucht van de allerlaatste hamster, zagen we hem; zijn voeten staken onder de tafel uit. Hij sliep.
Willem schopte hem,’verdomme,’ vloekte hij, ‘heb je niks beters te doen? We barsten van het werk.’
Sjaak schrok. ‘Au, bedankt. Het is jouw farm, ga je gang.’ Hij sliep verder.
Kwaad keerde Willem zich naar zijn vee dat hij voor nood zolang in het fietsenhok van de kookschool parkeerde waar de heerlijkste geuren hen ten deel vielen daar de examenklas op een bijzonder nachtgerecht oefende. Verrukt rook het dierage  de gepofte maïs en de veldsla, geïnspireerd fabriceerden zij intussen hun weidemelk en graneneieren.
‘Ahhh,’ genoot ook buur Willem, ‘laat die luiaards maar snurken.’
Prompt schoten Sjaak en zijn leeuw wakker. Beledigd doken ze gezamenlijk de plaatselijke wildernis in.
Luid snuivend en vol mannelijke passie jaagden ze en kwamen te voorschijn met een tegenstribbelende kalkoen (Luister, tis nog lang geen Kerstmis…) en een slome haas die weliswaar Pasen had overleefd maar er niet malser op was geworden. Fier legden ze de buit aan onze voeten.

Herfststorm, verslag in drie hoofdstukken. 1

Ongelooflijke dingen maakten we mee.
Het stormde.
Deuren klepperden,  de schoorsteen schudde op het dak. Ruiten rinkelden als tamboerijnen, het was opwindend en we deden wedjes welke boom het eerst zou omvallen, de lindeboom aan de voorkant of de populier op het achtererf.
Ons lachen verging toen er gekraak weerklonk en schurend gekners. Zware dingen denderden op ons neer, lampen doofden en plotseling was het stil. De storm was zo geschrokken van zijn eigen kracht dat hij in zijn schulp kroop.
Maar toen.
Vanuit het donker kwamen vragende geluiden tevoorschijn; piep? kwaak? tok? boe? Allengs moediger en weldra klonk het beestenkoor keihard. Het mekkerde en hinnikte, siste en krijste, en nog veel meer dierentalen hoorden we. Het was een vreselijke herrie. Geschrokken kreunden we mee.
Na een paar bange minuten verscheen er licht door alle obstakels, het was de hond die zover gedomesticeerd was dat hij eigenvoetig de noodaccu had gevonden.
We keken rond en zagen onze weddenschappen gewonnen en verloren. Zowel de lindeboom als de populier waren omgewaaid en lagen in de kamer, met de halfkale takken in elkaar verweven; je kon zo al zien dat deze kruising een geslaagd resultaat zou opleveren maar we dachten daar niet zo gauw aan.
We hesen ons omhoog,  verbijsterd zagen we tientallen dieren hetzelfde doen. Dom keken ze terug.
‘Hoe, wat…,’ stamelden we toen we achter drie varkens en een bibberende geit de pet van Willem Kleimans herkenden, een buurboer. ‘Effe wachten,’ riep hij terug en vocht zich los uit een kluwen populindetakken.
‘M’n boerderij ligt plat,’ begon hij, ‘ook de stallen; de beesten werden bang zodat ik ze aan de bomen vastbond. Het pluimvee aan de populier en de rest aan de linde maar er kwam een vos en toen vluchtten alle kippen omhoog; toen het andere vee dat hoorde klom het ook, uit solidariteit. Ik kon ze niet meer tegenhouden.’
‘Jaja, waar is die vos dan?’ spotten wij want wie gelooft er nou zoiets.
‘Die is opgevreten door de huisleeuw van m’n broer Sjaak.  Die moet hier ook ergens zitten…’
‘Wàt?’

Morgenavond hoofdstuk 2

Het waait nu hard maar die gruwelstorm vergeet ik nooit meer


Het waren brute vlagen met oerkracht.
We luisterden naar het scherpe takkengeknak,  dakpannen ratelden om ons heen, onheilspellende geluiden gierden grommend door de lucht en  keel.
In een windstil moment  grepen onze handen ineen, bemoedigend, bangelijk wachtend op de volgende stormaanval.
We zuchtten en baden.
Toen het, na een hels en eindeloos lijkend uur bedaarde in de lucht ontspanden we.
En nestelden ons nog dieper onder de dekens.
De beste plek om een storm te trotseren is in bed.

Wind wordt Storm

De wind trekt aan. Hij blaast en jaagt en vergroot zichzelf tot een superego en heet dan Storm.
Vluchtig kijkt hij rond in ons achtertuintje, ziet slechts een paar bejaarde bloemen.
Hier en daar blaast hij met een lauw gebaar een stokroos de kop af, jaagt een Spaans Margrietje de vijver in en begeeft zich  tenslotte, onbevredigd, naar de kust.
Daar hoort hij thuis.
Ahh, golven en krachten die hij onbeheerst kan sturen, great! Helemaal wous  stuwt hij het water op, laat  kades en stranden overspoelen, kwijlt bij de vuurtorens. Hij geniet!
Dan, na een paar uitgelaten dagen, houdt Storm zich in, noodgedwongen. Ook aan hem gaan de jaren niet zonder gebreken voorbij.
Langzaam trekt hij zich terug, de windvlagen strak regisserend naar het einde tot hij zich, tevreden maar uitgeteld,  ter ruste legt in de cloud.  Fade away…..