provincierijkdom en -armoede


Hoera hoera, we zijn de op één na rijkste provincie. (klik op staatje)

Daar kunnen we wat mee al is het gevoelsmatig. We zijn weliswaar eenvoudige mensen maar toch, de varkensmestlucht steekt wat minder. Een rijkaard kan zich wel een luchtje permitteren.
Dat geeft de burger moed.

Oké, de provincie boven ons is nòg rijker. Nou en? Geldersen imponeren ons niet, hooguit vinden we de Groesbekers grappig om hun onnavolgbare taaltje maar dat hadden ze altijd al.
Daar lachen we om.

Wat ik wel een nadeel vind zijn de familiebanden. Die beginnen te knellen.
Een deel van mijn kant woont in Noord-Holland, mijn geboortegrond nota bene en wat stelt dat nou nog voor? Triestig weinig.   Friesland en Groningen, daar zitten ook een paar zussen, ocharme.  Enfin, de arme tak, zal ik maar zeggen.
Erger is het gesteld met een paar leden van de kouwe kant. Wonend in Drenthe en Zeeland, of all places.  En dan van Brabantse komaf te zijn…   een jammerlijk afgang. Ik vraag ze er liever niet naar, houd me koud.

Ja, al met al doet het besef me deugd, inwoner te zijn van een rijke provincie.

Nooit had ik van mezelf gedacht zo’n snob te worden maar voor één dag mag het. Als je je niets verbeeldt, ben je ook niets.